Agromyza lathyri Hendel, 1923

Diptera, Agromyzidae

Pisum sativum, Castricum: eel van de mijn; ook zichtbaar een stuk van de begingang en de doorschemerende larve

12638

Pisum sativum, Castricum: part of the mine; also visible is a part of the initial corridor and, vaguely, a larva

mijn De mijn begint als een oppervlakkig onderzijdig gangetje. De begingang gaat na de eerste vervelling over in een blaasmijn, vaak dichtbij de basis van het blaadje. Deze is in principe onderzijdig, maar soms voor een deel interparenchymaal. Bovendien vreet de larve hier en daar ook palissadeparenchym. Het blad ziet er van boven wat vlekkerig uit. Het resultaat is een blaasmijn die ondanks zijn niet geringe grootte erg lastig te vinden is. Het makkelijkst is de mijn nog te vinden door bladeren tegen het licht te houden; de grote larven vallen dan op. Frass zowel in de gang als de blaas in grove korrels; in de begingang liggen ze ver uiteen. Verpopping buiten de mijn.

mine The mine starts as a superficial lower-surface corridor. After its first moult the larva starts making a blotch, often close to the base of the leaflet. The blotch in principle is lower-surface, but may be interparenchymatous for some part. Moreover, in places the larva feeds from the palissada parenchyma. Seen from above the leaf appears mottled. The overall result is that the mine, despite its considerable size, is hard to find. The easiest way is to hold the leaves against the light: the large larvae than are conspicuous. Frass in coarse grains, both in the corridor and in the blotch; in the corridor they are widely spaced. Pupation outside the mine.

waardplanten: Fabaceae, oligofaag

hostplants: Fabaceae, oligophagous

Lathyrus grandiflorus, latifolius, linifolius, niger, odoratus, pratensis, sylvestris, tingitanus, tuberosus; Ononis; Pisum sativum; Vicia sativa, sepium.

fenologie Larven in juni-juli, in één generatie (Hering, 1957a).

phenology Larven in June-July, in a single generation (Hering, 1957a).

BENELUX

BE niet waargenomen (Fauna Europaea, 2007).

NE waargenomen (de Meijere, 1939a).

LUX niet waargenomen (Fauna Europaea, 2007).

BENELUX

BE not recorded (Fauna Europaea, 2007).

NE recorded (de Meijere, 1939a).

LUX not recorded (Fauna Europaea, 2007).

verspreiding binnen Europa Van Zweden tot het Iberisch Schiereiland en Italië, en van Engeland tot de Baltische Staten en Roemenië (Fauna Europaea, 2007); Corsica (Buhr (1941b); Israel (Amsel & Hering, 1931a).

distribution within Europe From Seden to the Iberian Peninsula and Italy, and from the UK to the Baltic States and Roumania (Fauna Europaea, 2007); Corsica (Buhr (1941b).

puparium Roodachtig.

puparium Reddish.

synoniemen Agromyza atra Hardy, 1850.

synonyms Agromyza atra Hardy, 1850.

opmerkingen Soms in beperkte mate schadelijk (Spencer, 1973b), erwten-bladmineerder.

notes Sometimes a minor pest on pulses (Spencer, 1973b), peavine miner.

literatuur

references

Amsel & Hering (1931a), Benavent, Martínez, Moreno & Jiménez (2004a), Beuk (2002a), Buhr (1932a, 1941b, 1964a), Černý, Vála & Barták (2001a), Darvas, Skuhravá & Andersen (2000a), Drăghia (1967a), Hering (1930d, 1955b, 1957a), Huber (1969a), Kabos (1971a), Kvičala (1938a), Maček (1999a), de Meijere (1939a), Michalska (1972a), Michna (1975a), Nowakowski (1954a), Pakalniškis (1993a), Papp & Černý (2015a), Robbins (1991a), Spencer (1953a, 1957a, 1959a, 1972a, 1976a), Skala & Zavřel (1945a), Starke (1942a), von Tschirnhaus (1999a).

21/01/2017