Cerodontha atra (Meigen, 1830)

Diptera, Agromyzidae

mijn Onderzijdige gangmijn in het topgedeelte van een blad; de mijn verandert minstens tweemaal van richting. Eén tot drie larven in een mijn. Frass in vrij regelmatige korreltjes. Puparium gewoonlijk buiten de mijn gevormd.

mine Lower-surface corridor in the top half the leaf blade; the mine changes direction at least two times. One to three larvae in a mine. Frass in rather regular granules. Pupation mostly outside the mine.

waardplanten: Poaceae, nauw oligofaag

hostplants: Poaceae, narrowly oligophagous

Agrostis stolonifera; Calamagrostis epigeios.

Voorkeur voor droge standplaatsen. Vermeldingen van andere waardplanten hebben betrekking op andere Cerodontha-soorten (Nowakowski, 1973a); in het bijzonder vermeldingen van Phragmites betreffen C. phragmitidis Nowakowski.

Preference for arid situations. Records from other hostplants refer to other Cerodontha species (Nowakowski, 1973a); records in particular from Phragmites refer to C. phragmitidis Nowakowski.

fenologie Larven in juli-augustus (Nowakowski, 1973a).

phenology Larvae in July-August (Nowakowski, 1973a).

BENELUX

BE waargenomen (Scheirs, De Bruyn & von Tschirnhaus, 1995a).

NE Hoewel de soort door de Meijere (1925a, 1939a) als Nederlands wordt genoemd (en, daarop vermoedelijk doorbouwend, ook door Beuk [2002a] en Fauna Europeaea [2007]) gebruikte de Meijere, evemals Hering en Hendel, deze naam voor wat nu als de zeer gewone C. phragmitidis bekend staat. Zekere waarnemingen van C. atra s.str. uit Nederland zijn mij niet bekend.

LUX niet waargenomen (Fauna Europaea, 2007).

BENELUX

BE recorded (Scheirs, De Bruyn & von Tschirnhaus, 1995a).

NE Although this species is mentioned as occurring in the Netherlands by de Meijere (1925a, 1939a), and, probably in his lead, also by Beuk (2002a) and Fauna Europaea (2007), it is evident that de Meijere, like Hering and Hendel, understood under this name the species that now is the common C. phragmitidis. Reliable records of C. atra from the Netherlands are unknown to me.

LUX not recorded (Fauna Europaea, 2007).

verspreiding binnen Europa Geheel Europa (Fauna Europaea, 2007).

distribution within Europe All of Europe (Fauna Europaea, 2007).

larve Larve en puparium worden beschreven door Nowakowski (1973a); achterspiraculum stekelvormig.

De beschrijving van de larve door de Meijere (1925a) is gedaan aan de hand van materiaal uit Phragmites, en heeft dus betrekking op C. phragmitidis.

larva Larva and puparium are described by Nowakowski (1973a); rear spiraculum spine-like.

The description of the larva by de Meijere (1925a) is based on material from Phragmites, and therefore refers to C. phragmitidis.

synoniemen Phytobia atra; Agromyza infinita Becker, 1910; Agromyza nigroscutellata Strobl, 1910 [nec Strobl, 1900].

synonyms Phytobia atra; Agromyza infinita Becker, 1910; Agromyza nigroscutellata Strobl, 1910 [nec Strobl, 1900].

opmerkingen Soort uit het subgenus Poemyza (Nowakowski, 1973a).

van Frankenhuyzen, Houtman & Kabos (1982a) noemen als Nederlandse soort Dizygomyza atra (Meigen), die zou leven op Phalaris en Phragmites. Het is niet uit te maken wat hiermee wordt bedoeld; zeker geen Cerodontha atra.

notes Member of the subgenus Poemyza (Nowakowski, 1973a).

van Frankenhuyzen, Houtman & Kabos (1982a) mention as a Dutch species Dizygomyza atra (Meigen), that would live on Phalaris and Phragmites. It is impossible to guess what they had before them; certainly not Cerodontha atra.

literatuur

references

Andersen & Jonassen (1994a), Beuk (2002a), Černý (2001a, 2007a), Černý, Barták & Roháček (2004a), Černý & Merz (2006a, 2007a), Černý & Vála (1999a), Černý, Vála & Barták (2001a), van Frankenhuyzen, Houtman & Kabos (1982a), Kabos (1971a), Martinez (1987a), de Meijere (1925a, 1939a), Nowakowski (1973a), Pakalniškis (1986a, 1990a, 1998a), Papp & Černý (2016a), Sasakawa (1961a), Scheirs, De Bruyn & von Tschirnhaus (1995a, 1996a, 1999a), Spencer (1972a, 1976a), Starke (1942a), Vála & Rohacek (1983a), Withers (2007a), Zlobin (1986a).

28/03/2017