Cerodontha caricivora (Groschke, 1954)

Diptera, Agromyzidae

mijn Mijn meestal in het topdeel van het blad. Frass in enkele grote klompen. Verpopping in de mijn.

mine Mine mostly in the distal part of the leaf. Frass in some large lumps. Pupation within the mine.

waardplanten: Cyperaceae, nauw monofaag

hostplants: Cyperaceae, narrowly monophagous

Carex pilosa, sylvatica.

C. sylvatica is de belangrijkste waardplant.

C. sylvatica is the main hostplant.

fenologie Larven in (juni) juli-october, waarschijnlijk in één generatie (Nowakowski, 1973a).

phenology Larvae in (June) July - October, probably in one generation (Nowakowski, 1973a).

BENELUX

Niet bekend uit de Benelux-landen (Fauna Europaea, 2010).

BENELUX

Not known from the Benelux countries (Fauna Europaea, 2010).

verspreiding binnen Europa Van Fennoscandia tot Duitsland en Hongarijë (Fauna Europaea, 2010).

distribution within Europe From Fennoscandia to Germany and Hungary (Fauna Europaea, 2010).

puparium Donkerbruin; achterspiracula op een stevige conische basis; elk met drie papillen.

puparium Dark brown; rear spiracula on a stout conical projection, each with three papillae.

synoniemen Phytobia caricivora.

synonyms Phytobia caricivora.

opmerkingen Gebergte-soort. Behoort tot het subgenus Butomomyza (Nowakowski, 1973a).

notes Mountain species. Memeber of the subgenus Butomomyza (Nowakowski, 1973a).

literatuur

references

Beri (1971b), Groschke (1954a), Hering (1955a, 1957a), Nowakowski (1973), Sasakawa & Imura (1993a), Spencer (1971a, 1976a), von Tschirnhaus (1999a).

21/12/2011