Cerodontha flavocingulata (Strobl, 1909)

Diptera, Agromyzidae

mijn Brede, meestal onderzijdige gangmijn in de bladschijf, meestal eerst opstijgend, later afdalend. Meestal één larve in een mijn, maar soms vloeien verscheidene mijnen in een blad samen. Frass in geleidelijk groter wordende en verder uiteenliggende korrels. Verpopping buiten de mijn.

mine Broad, usually lower-surface corridor in the blade, generally first rising, then descending. Mostly one larve in a mine, but sometimes several mines on a leaf may merge. Frass in grains that gradually become both larger and more widely spaced. Pupation outside the mine.

waardplanten: Poaceae, breed oligofaag

hostplants: Poaceae, widely oligophagous

Agrostis stolonifera, gigantea; Alopecurus pratensis; Bromus hordeaceus; Calamagrostis epigeios; Dactylis glomerata; Elytrigia repens; Festuca rubra; Holcus lanatus; Phleum pratense; Poa trivialis; Schedonorus giganteus, pratensis..

fenologie Larven in juni-juli, soms al in mei (Nowakowski, 1973a).

phenology Larvae in June-July, sometimes already in May (Nowakowski, 1973a).

BENELUX

BE waargenomen (Scheirs, De Bruyn & von Tschirnhaus, 1995a).

NE waargenomen (de Meijere, 1924a, 1939a).

LUX niet waargenomen (Fauna Europaea, 2007).

BENELUX

BE recorded (Scheirs, De Bruyn & von Tschirnhaus, 1995a).

NE recorded (de Meijere, 1924a, 1939a).

LUX not recorded (Fauna Europaea, 2007).

verspreiding binnen Europa Van Scandinavië tot Frankrijk, Oostenrijk en Servië, en van Engeland tot de Baltische Staten en Roemenië (Fauna Europaea, 2007).

distribution within Europe From Scandinavia to France, Austria and Serbia, and from the UK to the Baltic States and Roumania (Fauna Europaea, 2007).

larve De gele larve wordt beschreven door de Meijere (1934a:272 als Dizygomyza sp.; 1938a), Nowakowski (1973a) en Dempewolf (2001a). Achterspiraculum met een krans van 12-18 papillen. Mandibels elk met 2 tanden, die sterk alterneren. Boven de mandibels een dwarsbaan met fijne haartjes.

larva The yellow larva is described by de Meijere (1934a:272 as Dizygomyza sp.; 1938a), Nowakowski (1973a), and Dempewolf (2001a). Rear spirculum with a circle of 12-18 papillae. Mandibles with 2 teeth each, strongly alternating. Above the mandibles a transverse row of fine hairs.

puparium Puparium geel- tot zwartbruin.

puparium Puparium yellow- to blackish brown.

synoniemen Phytagromyza flavocingulata; Ph. ensifera Hering, 1951; Ph. graminearum Hering, 1928; Ph. spinicauda Hendel, 1920; Dizygomyza semiatra Hendel, 1931; D. storai Frey, 1946.

synonyms Phytagromyza flavocingulata; Ph. ensifera Hering, 1951; Ph. graminearum Hering, 1928; Ph. spinicauda Hendel, 1920; Dizygomyza semiatra Hendel, 1931; D. storai Frey, 1946.

opmerkingen Behoort in het subgenus Phytagromyza (Nowakowski (1973a).

notes Member of the subgenus Phytagromyza (Nowakowski (1973a).

literatuur

references

Andersen & Jonassen (1994a), Beuk (2002a), Černý (2001a), Černý & Merz (2006a), Černý & Vála (1999a), Černý, Vála & Barták (2001a), Dempewolf (2001a), Hering (1928a, 1951b, 1955b, 1957a), Martinez (1984a), de Meijere (1924a, 1934a, 1938a, 1939a), Michalska (1976a), Nowakowski (1973a), Pakalniškis (1990a, 1998a), (Robbins 1991a), Scheirs, De Bruyn & von Tschirnhaus (1995a, 1996a), Spencer (1972a, 1976a), Starke (1942a).

22/01/2017