Cheilosia semifasciata (Becker, 1894)

Diptera, Syrphidae

Sedum telephium, Diemen

14033

Sedum telephium, Diemen

Sedum telephium, Bergen NH: uittree-opening aan de bladrand

14073

Sedum telephium, Bergen NH: exit slit at the leaf margin

Sedum telephium, Nieuwendam: de aantasting kan de plant flnk toetakelen

Cheilosia semifasciata damage

Sedum telephium, Nieuwendam: the damage to the plant can be quite severe

Sedum telephium, België, prov. Antwerpen, Mol © Carina Van Steenwinkel: larve in een jonge mijn (doorzicht)

Cheilosia semifasciata: young mine on Sedum telephium

Sedum telephium, Belgium, prov. Antwerp, Mol © Carina Van Steenwinkel: larva in a young mine (lighted from behind)

larve in een oude mijn

Cheilosia semifasciata: old mine on Sedum telephium

larva in an old mine

larve

Cheilosia semifasciata: larva

larva

mijn Voldiepe blaasmijn; de larve eet slordig, en in delen van de mijn blijft het parenchym onaangeroerd, waardoor het blad er vlekkerig uit komt te zien. De larve heeft twee tot drie bladeren voor zijn ontwikkeling nodig. Hij verlaat het blad via een ovale opening van 3-5 mm in de bladonderzijde, dichtbij de bladrand; de inbooropening is een rond gat. De larve verlaat de mijn voor de verpopping.

mine Full-depth blotch mine. The larva is a sloppy feeder, in parts of the mine the parenchyma is leaf largely untouched, giving the mine a mottled appearance when seen against the light. The larva needs two or three leaves for its development. He leaves the leaf by making an oval slit of 3-5 mm in the leaf underside, close to the leaf margin; the entrance is a round opening. Pupation outside the mine.

waardplanten: Crassulaceae, Saxifragaceae; nauw polyfaag

hostplants: Crassulaceae, Saxifragaceae; narrowly polyphagous

Rhodiola rosea; Saxifraga rotundifolia; Hylotelephium telephium; Umbilicus rupestris.

De associatie met Saxifraga berust op de synonymie met Cheilosia saxifragae; na de beschrijving daarvan door Hering in 1924 is deze soort nooit meer teruggevonden (Schmid, 2000a), wat enige twijfel aan de associatie kan geven.

Rhodiola werd als waardplant gemeld door Hering (1926b, Noorwegen), Buhr (1941b, Bulgarijë) en Maček (1999a, Slovenië); het is goed denkaar dat dit betrekking had op de later beschreven Cheilosia rhodiolae Schmid 2000.

Hoofdzakelijk op planten in de schaduw (Rotheray, 1989a).

The association with Saxifraga stems from the synonymy Cheilosia saxifragae; after its decription by Hering in 1924 it has never been found again, which raises some doubt about the association.

Rhodiola has been mentioned as a hostplant by Hering (1926b, Norway), Buhr (1941b, Bulgaria) and Maček (1999a, Slovenia); it is well conceivable that this actually referred to Cheilosia rhodiolae that was described later (Schmid, 2000a).

Mainly on plants in the shadow (Rotheray, 1989a).

fenologie Larven in mei-juni (Hering, 1957a).

phenology Larvae in May-June

BENELUX

BE waargenomen (Verlinden, 1991a).

NE waargenomen (de Meijere, 1939a).

LUX waargenomen (Fauna Europaea, 2007).

BENELUX

BE recorded (Verlinden, 1991a).

NE recorded (de Meijere, 1939a).

LUX recorded (Fauna Europaea, 2007).

verspreiding binnen Europa Van Scandinavië en Finland tot de Pyreneeën, Italië en Griekenland, en van Ierland tot Polen en Roemenië (Fauna Europaea, 2007).

distribution within Europe From Scandinavia and Finland to the Pyrenees, Italy and Greece, and from Ireland to Poland and Roumania (Fauna Europaea, 2007).

synoniemen Cheilosia saxifragae (Hering, 1924b).

synonyms Cheilosia saxifragae (Hering, 1924b).

opmerkingen De beschrijving van de mijn door Hering (1957a) en Rotheray (1989a) verschillen nogal. In het bijzonder schrijft Hering dat de blaasmijn rijkelijk grove frasskorrels bevat, terwijl Rotheray noteert dat er weinig tot geen frass in de mijn wordt gedeponeerd.

notes There are some contradictions between the descriptions of the mine by Hering (1957a) and Rotheray (1989a). In particular Hering writes that the mines contain ample quantities of coarse frass grains, while Rotheray writes that hardly or no frass is deposited inside the mine.

literatuur

references

Buhr (1941b), van der Goot (1981a), Hering (1924a,b, 1926b, 1955a, 1957a), Huber (1969a), Maček (1999a), de Meijere (1939a), Nielsen (1979a), Rotheray (1989a), Schmid (2000a), Skala (1951b), Starý (1930a), van Steenis & Barendregt (2002a).

22/01/2017