Chromatomyia aprilina (Goureau, 1851)

Diptera, Agromyzidae

Lonicera periclymenum, Duin en Kruidberg

7382tr

Lonicera periclymenum, Duin en Kruidberg

Lonicera periclymenum, Durgerdam: hoofdnerf, links een gaaf gedeelte, rechts gemineerd; het gemineerde deel oogt duidelijk vager; er bevindt zich frass in, maar die is alleen te zien door de hoofdnerf in de lengte te splijten

14152

Lonicera periclymenum, Durgerdam: midrib, left part untoiuched, right part mined out; the mined part looks much more fuzzy; it does contain frass, but this is only visible after the midrib has been split lengthwise

mijn De mijn begint als een lastig zichtbaar onderzijdig epidermaal gangetje, dat eindigt op de hoofdnerf. Daarna maakt de larve een gang in de hoofdnerf, van waaruit een aantal bovenzijdige gangen uitgaan. Vaak is de laatste gang die wordt gemaakt veel langer dan de overige, en volgt met een losse boog de bladcontour. Frass in lange slierten, aan de uiterste zijkanten van de gangen. Het puparium blijft in het blad, in een onderzijdige cel; de kleur ervan is bleekgroen (wit, nadat de vlieg uitgekomen is); de voorspiracula prikken door de epidermis naar buiten.

mine The very first part of the mine is a quite inconspicuous, lower-surface epidermal corridor, that ends upon the midrib. Then the larva bores in the midrib, from where it makes long upper-surface corridors. Often the latest corridor that is made is much longer than the others, and follows the leaf outline in a loose loop. Frass in long strings at the extreme side of the mine. Pupation in the mine, in a lower-surface pupal chamber; the puparium is pale green (white, when vacated); the front spiracula penetrate the epidermis.

waardplanten: Caprifoliacease, oligofaag

hostplants: Caprifoliacease, oligophagous

Lonicera alpigena, biflora, caerulea, caprifolia, etrusca, implexa, involucrata var. ledebourii, maacki, nigra, periclymenum, tatarica, xylosteum; Symphoricarpos albus, occidentalis.

fenologie Larven zijn gevonden van juni tot augustus, mijnen tot in october; volgens Griffiths zijn er twee generaties.

Mogelijk is het aantal generaties echter onbepaald: Stéphane Claerbout vond in Zuid-België al een bezette mijn op 9 maart 2015, na een zeer zachte winter.

phenology Larvae have been found from June to August mines till October; according to Griffiths there are two generations.

However, possibly the number of generations is indefinite: Stéphane Claerebout found in southern Belgium, after a very mild winter, an occupied mine on March 9th, 2015.

BENELUX

BE waargenomen (Ellis, prov. Liège, Luxembourg).

NE waargenomen (de Meijere, 1926a, als Phytomyza xylostei Robineau-Desvoidy).

LUX waargenomen (Ellis, Kautenbach).

BENELUX

BE recorded (Ellis, prov. Liège, Luxembourg).

NE recorded (de Meijere, 1926a, als Phytomyza xylostei Robineau-Desvoidy).

LUX recorded (Ellis, Kautenbach).

verspreiding binnen Europa Van Noorwegen tot het Iberisch Schiereiland en Italië, en van Ierland tot Polen (Fauna Europaea, 2007).

distribution within Europe From Norway to the Iberian Peninsula and Italy, and from Ireland to Poland (Fauna Europaea, 2007).

synoniemen Phytomyza aprilina; Ph. lonicerae: de Meijere, 1934:284; Phytomyza lonicerella Hendel, 1932; Rubiomyza, Phytomyza xylostei Robineau-Desvoidy, 1851, nec Kaltenbach, 1862.

synonyms Phytomyza aprilina; Ph. lonicerae: de Meijere, 1934:284; Phytomyza lonicerella Hendel, 1932; Rubiomyza, Phytomyza xylostei Robineau-Desvoidy, 1851, nec Kaltenbach, 1862.

opmerkingen In Nederland een zeer gewone soort.

In zachte winters blijft een deel van het kamperfoelieblad groen, en daarin kan soms een mijntype worden gevonden dat sterk afwijkt, omdat er ging relatie is met de hoofdnerf. Het groene puparium geeft echter aan dat het om aprilina gaat, en dat is ook door uitkweken bevestigd (dank aan Martin Dempewolf voor het bevestigen van de determinatie van de imagines).

notes A very common species in the Netherlands.

In mild winters the Honeysuckle foliage remains green, and there sometimes a type of mines can be found that is strongly deviant because there is no association with the midrib. The green puparium clearly indicates that that it concerns aprilina, and this has been confirmed by breeding (thanks to Martin Dempewolf for confirming the identification of the adults).

Lonicera periclymenum, Castricum, 11 april; mijn van de wintergeneratie

Chromatomyia aprilina mine

Lonicera periclymenum, Castricum, April 11; mine of the winter generation

literatuur

references

Bland (1977a, 2010a), Buhr (1932a, 1941b, 1964a), Černý & Vála (1999a), van Frankenhuyzen Houtman & Kabos (1982a), Griffiths (1974a), Haase (1942a), Hartig (1939a), Hering (1926b, 1936b, 1955b, 1957a), Hubble (2013a), Huber (1969a), Kollár (2007a), Maček (1999a), de Meijere (1926a, 1939a), Michalska (1970a), Nowakowski (1954a), Robbins (1991a), Sønderup (1949a), Spencer (1953a, 1954d, 1960a, 1967a, 1969a, 1972a, 1976a), Starke (1942a), Starý (1930a), Surányi (1942a), von Tschirnhaus (1999a).

13/03/2015