Chromatomyia asteris (Hendel, 1934)

Diptera, Agromyzidae

mijn Aanvankelijk onderzijdig, later bovenzijdige gangmijn, die zich ook aan het einde niet merkbaar verbreedt. Gang vaak sterk gekronkeld. Frass in onregelmatig verspreide vrij grove korrels. De larve verpopt zich in de mijn; puparium wit; de voorspiracula stekend door de epidermis naar buiten.

mine Initially lower-surface, later upper-surface corridor, not appreciably widening towards the end. Corridor often strongly contorted. Frass in rather coarse grains, irregularly scattered. Pupation in the mine. The puparium is white, its front spiracula penetrate the plant's epidermis.

waardplanten: Nauw monofaag

hostplants: Narrowly monophagous

Tripolium pannonicum subsp. pannonicum (= Aster tripoium).

fenologie Larven in juni-juli (Hering, 1957a).

phenology Larvae in June-July (Hering, 1957a).

BENELUX

BE waargenomen (Collart, 1942a).

NE waargenomen (Kabos, 1971a).

LUX niet waargenomen (Fauna Europaea, 2007).

BENELUX

BE recorded (Collart, 1942a).

NE recorded (Kabos, 1971a).

LUX not recorded (Fauna Europaea, 2007).

verspreiding binnen Europa Van Zweden tot de Pyreneeën, Alpen en Slovenië, en van Ierland tot Polen (Fauna Europaea, 2007).

distribution within Europe From Sweden to the Pyrenees, Alps and Slovenia, and from Ireland to Poland (Fauna Europaea, 2007).

larve Beschreven door de Meijere (1926a [als Phytomyza sp. op Aster tripolium], 1928a, 1934a [als Ph. tenella]) en Griffiths (1976c); achterspiracula met 28-33 papillen.

larva Described by de Meijere (1926a [as Phytomyza sp. on Aster tripolium], 1928a, 1934a [as Ph. tenella]) and Griffiths (1976c). Rear spiraculum with 28-33 papillae.

synoniemen Vaak verward met Phytomyza tenella Meigen, 1830.

synonyms Often confused with Phytomyza tenella Meigen, 1830.

opmerkingen Naar nu bekend is leven de larven van Ph. tenella in de zich ontwikkelende vruchten van Pedicularis. De vermelding Ph. tenella als een zeer algemene mineerder op zulte door Kabos (1971a) heeft zeker betrekking op Ch. asteris. De Meijere (1924a) noemt tenella eveneens als Nederlandse soort; hij vermeldt geen waardplanten, maar de vindplaatsen die hij opsomt liggen zo ver uit de kustzone dat aangenomen kan worden dat hier geen sprake kan zijn van Ch. asteris.

Zie von Tschirnhaus (1981a) voor de oecologie van asteris.

notes As is known now, the larvae of Ph. tenella live in the developing fruits of Pedicularis. The reference by Kabos (1971a) to tenella as a very common miner on Aster tripolium clearly refers to Ch. asteris. Also de Meijere (1924a) mentions tenella as ocurring in the Netherlands; he cites no hostplants, but the localities mentioned by him are so far from the coast that it very improbable that this reference concerns Ch. asteris.

See von Tschirnhaus (1981a) for the ecology of asteris.

literatuur

references

Beuk (2002a, Bland (1994b,c), De Bruyn & von Tschirnhaus (1991a), Collart (1942a), Griffiths (1976c), Hering (1957a), Kabos (1971a), Maček (1999a), de Meijere (1924a, 1926a, 1928a, 1934a), Sønderup (1949a), Spencer (1954a, 1972a, 1976a), von Tschirnhaus (1981a, 1999a), Vála & Rohacek (1983a), Zoerner (1970a).

22/01/2017