Chromatomyia gentianella (Hendel, 1932)

Diptera, Agromyzidae

mijn Aanvankelijk een nauw gangetje dat zich vrij vaak vertakt; verderop verbreedt de gang zich zeer sterk. De mijn begint bovenzijdig, maar in het latere deel bevinden zich voldiepe gedeelten. Frass in niet samenhangende, vrij grote korrels, aanvankelijk dicht bijeen, later verspreid. Verpopping in de mijn; de voorspiracula van het puparium prikken door de epidermis naar buiten, meestal aan de bladonderzijde.

mine Initinally a narrow, rather frequently branching, corridor; further on the corridor widens very strongly. The mine begins upper-surface, but the final section may have full depth patches. Frass in isolated, relatively large, grains; close together at first, widely scattered towards the end. Pupation within the mine; the anterior spiracula of the puparium penetrate the epidermis, mostly at the underside.

waardplanten: Gentianaceae, monofaag

hostplants: Gentianaceae, monophagous

Gentiana acaulis, asclepiadea, cruciata.

fenologie Larven in mei en juli (Hering, 1957a).

phenology Larvae in May and July (Hering, 1957a).

verspreiding binnen Europa Polen, Zwitserland, Oostenrijk, Italië, Slovenië, Bulgarijë (Buhr, 1941b; Fauna Europaea, 2009; Maček, 1999; von Tschirnhaus, 1982a).

distribution within Europe Poland, Switzerland, Austria, Italy, Slovenia, Bulgaria (Buhr, 1941b; Fauna Europaea, 2009; Maček, 1999; von Tschirnhaus, 1982a).

synoniemen Napomyza gentianella.

synonyms Napomyza gentianella.

literatuur

references

Beiger (2005a), Buhr (1941b), Černý & Merz (2007a), Hering (1957a), Maček (1999a), Süss (1992a), von Tschirnhaus (1982a).

30/12/2012