Chromatomyia skuratowiczi (Beiger, 1972)

Diptera, Agromyzidae

mijn De larve maakt grote blaasmijnen in verscheidene bladeren van het rozet. De mijnen zijn bovenzijdig, maar wel diep, plaatselijk zelfs bijna voldiep. Frass in de vorm van dikke, donkergroene draden. Verpopping in de mijn, bovenzijdig dan wel onderzijdig.

mine The larva makes large blotches in several leaves of the ground rosette. The mines are upper surface, but quite deep, locally even almost full-depth. Frass in the form of thick green threads. Pupation within the mine, either lower- or upper-surface.

waardplanten: Gentianaceae, nauw monofaag

hostplants: Gentianaceae, narrowly monophagous

Gentiana verna.

fenologie Larven werden verzameld in juli.

phenology Larvae were collected in July.

verspreiding binnen Europa Polen (Fauna Europaea, 2010).

distribution within Europe Poland (Fauna Europaea, 2010).

larve Frontaal aanhangsel aanwezig. Mandibels met twee tanden, sterk alternerend. De achterwaartse armen van het kopskelet zijn bijna kleurloos. Zowel voor- als achterspiraculum knopvormig met resp. ca 9 en 7-12 papillen.

larva Frontal appendix present. Mandibles strongly alternating, with two teeth. Rear arms of the cephalic skeleton almost colourless. Both front and rear spiraculum fist-shaped, with c. 9 and 7-12 papillae, respectively.

puparium Licht dorsoventraal afgeplat, roodachtig geel met ventraal een bruine lengteband; spiracula zwart. Het puparium ligt ruggelings in de mijn, de voorspiracula prikken door de epidermis.

puparium Lightly flattened dorsoventrally, reddish yellow with a ventral brown length band; spiracula black. The puparium lies venter-upwards in the mine, the front spiracula penetrate the epidermis.

synoniemen Phytomyza skuratowiczi.

synonyms Phytomyza skuratowiczi.

literatuur

references

Beiger (1972a, 2005a), Michalska, Myssura & Walczak (2010a).

23/01/2013