Chromatomyia cf. syngenesiae Hardy, 1849

Diptera, Agromyzidae

Eupatorium cannabinum, Denemarken © Henrik Stenholt

Chromatomyia cf. syngenesiae: mine on Eupatorium cannabinum

Eupatorium cannabinum, Denmark © Henrik Stenholt

detai

Chromatomyia cf. syngenesiae: mine on Eupatorium cannabinum

detail

Sonchus oleraceus, Nieuwendam

8038bz Chromatomyia cf. syngenesiae: mine on Sonchus oleraceus

Sonchus oleraceus, Nieuwendam

Sonchus oleraceus, Amsterdam: zwaar aangetast bladjuk

Chromatomyia cf. syngenesiae: mine on Sonchus oleraceus

Sonchus oleraceus, Amsterdam: heavily attacked leaf segment

zelfde bladjuk, met de onderzijdge puparia

Chromatomyia cf. syngenesiae: mine on Sonchus oleraceus

same leaf segment, with the lower-surface puparia

frasspatroon

Chromatomyia cf. syngenesiae: frass pattern

frass pattern

Leucanthemum vulgare, België, prov. Namen, Viroinval; © Stéphane Claerebout

Chromatomyia cf. syngenesiae: mine on Leucanthemum vulgare

Leucanthemum vulgare, Belgium, prov. Namur, Viroinval; © Stéphane Claerebout

puparium in de mijn

Chromatomyia cf. syngenesiae: puparium in the mine

puparium in the mine

mijn Meestal bovenzijdige gangmijn. Frass in geïsoleerde korreltjes. Het puparium wordt in de mijn gevormd, meestal aan de onderzijde; meestal is het wit of geelwit van kleur. (Ook verlaten puparia zijn wit, maar geparasiteerde zijn zwart.) De voorspiracula van het puparium steken als bruine haakjes door de epidermis naar buiten.

mine Generally upper-surface corridor. Frass in isolated grains. Ppation in the mine, in a, usually lower-surface, pupal chamber. The puparium mostly is white (but parasited puparia are black). The front spiracula penetrate as tiny brown hooks the plant epidermis.

waardplanten: Asteraceae, breed oligofaag (Griffiths, 1967a)

hostplants: Asteraceae, widely oligophagous (Griffiths, 1967a)

Adenostyles; Ageratum houstonianum; Andryala; Arctium lappa; Artemisia vulgaris; Bidens pilosus, tripartitus; Calendula officinalis; Callistephus chinensis; Carduus crispus; Carthamus; Centaurea calcitrapa, jacea subsp. angustifolia, orientalis; Chrysanthemum indicum; Cichorium intybus; Cirsium appendiculatum, arvense, helenioides; Coleostephus myconis; Coreopsis; Crepis; Dahlia pinnata; Erechtites; Erigeron canadense; Eupatorium cannabinum; Filago; Gaillardia; Galinsoga parviflora, quadriradiata; Gerbera jamesonii; Guizotia; Helianthus annuus; Helichrysum; Helminthotheca echioides; Inula oculus-christi; Jacobaea aquatica, vulgaris; Kleinia neriifoloia; Lactuca sativa, serriola, viminea; Leontodon hispidus; Leontopodium; Leucanthemum vulgare; Mycelis muralis; Pericallis cruenta; Pulicaria dysenterica; Reichardia picroides; Rudbeckia laciniata; Schizogyne sericea; Scorzoneroides autumnalis; Senecio duriaei, inaequidens, squalidus, vulgaris, viscosus; Sonchus arvensis, asper subsp. glaucescens, leptocephalus, oleraceus; Symphyotrichum ericoides; Taraxacum officinale; Tripleurospermum inodorum; Zinnia elegans.

Sonchus oleraceus is zeker de vaakst aangetaste waardplant. Ernstige plaag op allerlei gewassen, maar vooral chrysanthen en sla (Darvas, Skuhravá & Andersen, 2000a; chrysanten-bladmineerder).

Sonchus oleraceus is the most frequently attacked hostplant. A serious pest on a variaty of plants, in particular chrysanthemums and lettuce (Darvas, Skuhravá & Andersen, 2000a; chrysanthemum leafminer).

fenologie Gehele zomer.

phenology Entire summer.

BENELUX

BE waargenomen (Scheirs, De Bruyn & Verdyck, 1993a).

NE waargenomen (de Meijere, 1924a, als Phytomyza atricornis op Asteraceae).

LUX waargenomen (Ellis, div. loc.)

BENELUX

BE recorded (Scheirs, De Bruyn & Verdyck, 1993a).

NE recorded (de Meijere, 1924a, ass Phytomyza atricornis on Asteraceae).

LUX recorded (Ellis, various lacolites).

verspreiding binnen Europa Geheel Europa (Fauna Europaea, 2008).

distribution within Europe Entire Europe (Fauna Europaea, 2008).

synoniemen Phytomyza atricornis Meigen, 1830 (ten dele); Ph. syngenesiae; Ph. chrysanthemi Kowarz in Lintner, 1891.

synonyms Phytomyza atricornis Meigen, 1830 (partim); Ph. syngenesiae; Ph. chrysanthemi Kowarz in Lintner, 1891.

opmerkingen Tot in het midden van de zestiger jaren gold Phytomyza atricornis Meigen als een van de talrijkste en meest polyphage agromyziden. De revisie door Griffiths (1967a) maakte echter duidelijk dat onder deze naam twee soorten schuilgaan: Chromatomyia syngenesiae (Hardy) en Ch. horticola (Goureau). Het verschil is alleen te zien aan de inwendige structuur van de mannelijke genitaliën; vooor wijfjes, larven en mijnen zijn nog geen bruikbare verschilkenmerken gevonden. Ongelukkigerwijze zijn zowel syngensiae als horticola talrijk en polyphaag, al geldt in het algemeen dat syngenesiae vrijwel uitsluitend voorkomt op Asteraceae, terwijl horticola veel polyfager is, zij het met een duidelijke voorkeur voor Asteraceae, Brassicaceae en Fabaceae. Beide soorten zijn uitgesproken cultuurvolgers, die het meest optreden in stedelijke omgeving.

Een verantwoorde naamgeving van mijnenmateriaal van dit complex is niet eenvoudig. Sommmigen gebruiken de oude, collectieve naam atricornis. Een wat precieser benadering is om al het materiaal dat niet van Asteraceae afkomstig is te benoemen als horticola, en Asteraceae-materiaal als cf. syngenesiae.

notes Until the middle of the sixties Phytomyza atricornis Meigen was considered one of the most common and polyphagous Agromyzidae. However, a revision by Griffiths (1967a) made it clear that by that name two closely related species are covered: Chromatomyia syngenesiae (Hardy) en Ch. horticola (Goureau). The difference is visible only in interior details of the male genitalia: neither the females nor pre-imaginal stages can be idenitified with certainty. Unfortunately, both species are common and polyphagous. There is some difference in foodplant preference. Ch. syngenesiae lives almost exclusively on Asteraceae, while horticola has been found on at least 24 families of flowering plants, with a marked preference for Asteraceae, Brassicaceae and Fabaceae. Both species share a clear preference for human-dominated, disturbed habitats, and are found most frequently in urban situations.

For the practical identification of mine material some choose to use the old, collective, name atricornis for both species. A somewhat more precise approach is to identify material from Asteraceae as cf. syngensiae, and material from non-Asteraceae as horticola.

literatuur

references

Ahr (1966a), Allen (1958a), Amsel & Hering (1933a), Beiger (1960a, 1989a), Benavent ao (2004a), Beuk (2002a), Bland (1977a), Buhr (1930a, 1932a, 1941b, 1964a), Černý (2011a), Černý & Merz (2007a), Csóka (2003a), Darvas, Skuhravá & Andersen (2000a), Dempewolf (2004a), Drăghia (1968a, 1970a, 1971a, 1972a, 1974a), van Frankenhuyzen, Houtman & Kabos (1982a), Griffiths (1963b, 1967a, 1972b), Haase (1942a), Hering (1924a, 1927a, 1930b, 1932e,g, 1936b, 1955b, 1957a, 1967a), Maček (1999a), Manning (1956a), Masetti, Lanzoni, Burgio & Süss (2004a), de Meijere (1924a, 1926a, 1939a), Nowakowski (1954a), Robbins (1991a), Scheirs, De Bruyn & Verdyck (1993a), Seidel (1957a), Spencer (1954d, 1966b, 1972a, 1973b, 1976a), Starý (1930a), von Tschirnhaus (1999a), Ureche (2010a), Zoerner (1969a).

23/01/2017