Chyliza vittata Meigen, 1826

Diptera, Psilidae

mijn De mijn begint als een fijn gangetje, daalt af in bladschede of stengel, gaat vandaar nog een of enkele malen een blad in. De verpopping vindt plaats in de wortelknol. Van aangetaste planten verwelkt vaak de bloeiwijze.

mine The mine begins as a fine corridor, descends into the leaf sheath or stem, reenters from there a few more times in the blade. Pupation in the tuber. Ofen the inflorescence of infested plants will wilt.

waardplanten: Orchidaceae, oligofaag

hostplants: Orchidaceae, oligophagous

Dactylorhiza, Epipactis; Himantoglossum; Neottia; Orchis.

fenologie Larven in juni-juli (Hering, 1957a).

phenology Larvae in June-July (Hering, 1957a).

BENELUX

BE waargenomen (De Bruyn, 1991a).

NE waargenomen (de Meijere, 1939a).

LUX niet waargenomen (Fauna Europaea, 2007).

BENELUX

BE recorded (De Bruyn, 1991a).

NE recorded (de Meijere 1939a).

LUX not recorded (Fauna Europaea, 2007).

verspreiding binnen Europa Van Scandinavië tot het Iberisch Schiereiland en Italië, en van Ierland tot Litouwen en Hongarijë (Fauna Europaea, 2007).

distribution within Europe From Scandinavia to the Iberian Peninsula and Italy, and from Ireland to Lithuania and Hungary (Fauna Europaea, 2007).

larve Beschreven door de Meijere (1940b) en de Vos-de Wilde (1935a). Achterspiracula op een gemeenschappelijke grote zwarte vlek; mandibel met één tand.

larva Described by de Meijere (1940b) and de Vos-de Wilde (1935a). Rear spiracula on a large common black spot; mandible with one tooth.

literatuur

references

Beiger (1960a), Beuk & van der Goot (2002a), De Bruyn (1991a), Hering (1957a), Mansard-Veken (1999a), de Meijere (1939a, 1940b), Robbins (1991a), de Vos-de Wilde (1935a).

20/05/2013