Clanoneurum cimiciforme (Haliday, 1855)

Diptera, Ephydridae

mijn Brede gangmijn, geleidelijk overgaand in een blaasmijn van variabele diepte. Aan het begin van de mijn een stevig, sterk geribd eischaaltje. Frass onregelmatig verspreid. Verpopping gewoonlijk in, zelden buiten, de mijn.

mine Broad corridor, gradually widening into a blotch of variable depth. At the start of the mine a tough, strongly ribbed, egg shell. Frass irregularly scattered. Pupation generally within, rarely outside, the mine.

waardplanten: Amaranthaceae, Caryophyllaceae, nauw polyfaag

hostplants: Amaranthaceae, Caryophyllaceae, narrowly polyphagous

Atriplex; Beta vulgaris subsp. maritma; Salicornia europaea; Spergularia rubra; Suaeda.

fenologie Larven van mei-september (Hering, 1957a).

phenology Larvae from May-September (Hering, 1957a).

BENELUX

BE waargenomen (Gosseries, 1991d).

NE niet waargenomen (Fauna Europaea, 2007).

LUX niet waargenomen (Fauna Europaea, 2007).

BENELUX

BE recorded (Gosseries, 1991d).

NE not recorded (Fauna Europaea, 2007).

LUX not recorded (Fauna Europaea, 2007).

verspreiding binnen Europa Van Polen tot het Iberisch Schiereiland en Italië, en van Ierland tot Bulgarijë (Fauna Europaea, 2007); Corsica (Burhr, 1941b).

distribution within Europe From Poland to the Iberian Peninsula and Italy, and from Ireland to Bulgaria (Fauna Europaea, 2007); Corsica (Burhr, 1941b).

larve Beschreven door Hering (1962c); voorspiraculum kort, met 2 papillen.

larva Described by Hering (1962c); anterior spiraculum short, with 2 papillae.

literatuur

references

Buhr (1941b), Gosseries (1991d), Hering (1957a, 1962c), Hollmann-Schirrmacher & Zatwarnicki (1999a)