Hydrellia griseola (Fallén, 1913)

Diptera, Ephydridae

Glyceria fluitans, Diemen, park Spoorzicht

14018

Glyceria fluitans, Diemen, park Spoorzicht

mijn Onregelmatige mijn, locaal ondiep maar op andere plekken veel dieper, waardoor de mijn er vlekkerig uitziet. Het begin is bij breedbladige planten vaak blazig met stervormige uitlopers, soms ook als een heel fijn ondiep gangetje. Bij grassen begint de mijn vaak in de bladschede. De frass is zeer fijnkorrelig, ligt aanvankelijk onregelmatig verspreid, later in klompen. Het ei wordt buiten op de plant afgezet, en het lege langgerekte eischaaltje blijft herkenbaar. De larven kunnen echter de mijn verlaten en elders herbeginnen, zodat mijnen met larven maar zonder eischaaltje voorkomen. De larve verlaat de mijn eveneens om zich te verpoppen. Dat gebeurt in een afzonderlijk mijntje zonder frass (© hierboven). Soms wordt het verpoppingsmijntje gevormd in een andere plant dan waarin de larve zich ontwikkelde. De volwassen vlieg is grijswit bestoven.

mine Irregular mine, locally shallow, elshewhere much deeper, giving it a mottled appearance. In broadleaved plants the mine often begins as a blotch with stellate extensions, but sometimes as a very fine, shallow corridor. In grasses the mine often begins in the leaf sheath. The frass is very fine-grained, initially scattered, later in aggregates. The egg is deposited on the plant surface, and the empty egg shell remains visible. But the larvae are able to leave their mine and restart elsewhere, thus mines without an egg shell can be found as well. The larva also leaves the mine before pupation. Pupation takes place in a newly made, small, blotch mine without frass (©); this mine may be made in another plant (species). The adult fly has a greyish-white pruinosity.

waardplanten Polyfaag, vooral op grassen:

hostplants Polyphagous, mainly on grasses:

Agrostis; Alopecurus geniculatus, pratensis; Allium; Apera spica-venti; Arrhenatherum elatius; Avena fatua; Avenula, Bassia; Bellis perennis; Brachypodium; Briza; Bromus; Calamagrostis; Carex sylvatica; Dactylis; Digitaria; Echinochloa crus-galli; Eleusine; Elymus; Festuca; Gaudinia; Glyceria notata; Holcus, Hordeum distichon, vulgare; Lagurus ovatus; Lolium; Panicum miliaceum; Papaver; Phalaris canariensis; Phalaroides arundinacea; Phleum; Phragmites australis; Poa; Setaria; Triticum; Verbena hybrida.

Puparia worden ook gevormd in planten die geen waardplanten zijn, zoals Lamium, Silene vulgaris, Trifolium, Veronica.

Puparia may also be formed in plants that are no hostplants, like Lamium, Silene vulgaris, Trifolium, Veronica.

fenologie Larven in mei, juli en september (Hering, 1957a).

phenology Larvae in May, July and September (Hering, 1957a).

BENELUX

BE waargenomen (Gosseries, 1991d).

NE waargenomen (de Meijere, 1939a).

LUX niet waargenomen (Fauna Europaea, 2007).

BENELUX

BE recorded (Gosseries, 1991d).

NE recorded (de Meijere, 1939a).

LUX not recorded (Fauna Europaea, 2007).

verspreiding binnen Europa Geheel Europa (Fauna Europaea, 2007).

distribution within Europe Entire Europe (Fauna Europaea, 2007).

larve De larve onderscheidt zich van die van Agromyzidae doordat de mandibel maar één tand heeft. Bovendien is de naar voren gerichte arm van het kopskelet langer dan de naar achteren gerichte armen.

larva The larva can be distinguished from that of the Agromyzidae because the mandible has but one tooth. Also the anterior arm of the cephalic skeleton is longer than the rear arms.

synoniemen Hydrellia chrysostoma (Meigen, 1830).

synonyms Hydrellia chrysostoma (Meigen, 1830).

literatuur

references

Beuk & Zatwarnicki (2002a), Buhr (1933a), Drăghia (1967a), Gallo (1996a), Gosseries (1991d), Hering (1931-32f, 1957a), Hollman-Schirrmacher & Zatwarnicki (1999a), Huber (1969a), Maček (1999a), de Meijere (1939a, 1950b), Ostrauskas, Pakalniškis & Taluntyte (2003a), Robbins (1991a), Séguy (1950a), Skala (1936a, 1951a), Sønderup (1949a), Zatwarnicki (1988a).

24/01/2017