Liriomyza amarellae Hering, 1963

Diptera, Agromyzidae

mijn De mijn begint in de stengelschors, gaat vandaar via de bladsteel een (soms meer) bladeren in, en vomt in de bladeren een aantal uitlopers. Deze gangen kunnen soms darmachtig gekronkeld zijn, en dan een secundaire blaasmijn vormen. Frass in sliertjes afwisseland aan weerszijden van de gang.

mine The mine begins in the stem rind, from there enters via the petiole one, sometimes more,leaves, making several excursions in the leaf. In the leaf the corridors may be strongly convoluted, and form a secondary blotch. Frass in strings, alternating at either side.

waardplanten: Gentianaceae, monofaag

hostplants: Gentianaceae, monophagous

Gentianella amarella, ciliata, germanica

fenologie Larven in juni-juli en vanaf midden september (Hering, 1963a).

phenology Larvae in June-July and from mid September (Hering, 1963a).

BENELUX

Niet bekend uit de Benelux-landen (Fauna Europaea, 2007).

BENELUX

Not known from the Benelux countries (Fauna Europaea, 2007).

verspreiding binnen Europa Alleen bekend uit Duitsland (Fauna Europaea, 2007), maar recentelijk gemeld uit Turkij√ę (Hepdurgun ea, 2007a).

distribution within Europe Only known from Germany (Fauna Europaea, 2007), bur recently reported from Turkey (Hepdurgun ao, 2007a).

larve Hering (1963a).

larva Hering (1963a).

puparium Hering (1963a).

puparium Hering (1963a).

literatuur

references

Buhr (1960a), (Hepdurgun ao, 2007a), Hering (1963a), von Tschirnhaus (1999a).

08/12/2011