Liriomyza amoena (Meigen, 1830)

Diptera, Agromyzidae

Sambucus nigra, Vreeland

Liriomyza amoena: mine Sambucus nigra

Sambucus nigra, Vreeland

Sambucus nigra, St. Gerlach

Liriomyza amoena: mine Sambucus nigra

Sambucus nigra, St. Gerlach

mijn Aanvankelijk een bovenzijdig, smal, ca 3 cm lang gangetje van gelijkblijvende breedte, dat zonder overgang overgaat in een miskleurige secundaire blaasmijn, die vaak de begingang geheel of gedeeltelijk incorporeert. Secundaire vraatlijnen meestal duidelijk. Verpopping buiten de mijn; boogsnede onderzijdig.

mine Initially an upper-surface, narrow corridor of about 3 cm, that abruptly widens into an ill-coloured secondary blotch, which generally incorporates more or less of the corridor. Secondary feeding lines usually conspicuous. Pupation outside the mine; exit slit in the lower epidermis.

waardplanten: Adoxaceae, monofaag

hostplants: Adoxaceae, monophagous

Sambucus ebulus, nigra, racemosa.

De enige mineerder op vlier.

The only miner on elder.

fenologie Larven in juni-juli en augustus-september (Hering, 1957a).

phenology Larvae in June-July and August-September (Hering, 1957a).

BENELUX

BE waargenomen (De Bruyn & von Tschirnhaus, 1991a).

NE waargenomen (de Meijere, 1924a).

LUX waargenomen (Ellis: Kautenbach).

BENELUX

BE recorded (De Bruyn & von Tschirnhaus, 1991a).

NE recorded (de Meijere, 1924a).

LUX recorded (Ellis: Kautenbach).

verspreiding binnen Europa Van Scandinavië tot de Pyreneeën, Tsjechië en Thracië, en van Ierland tot de Baltische Staten (Fauna Europaea, 2007a); ook Corsica (Buhr, 1941b) en Spanje (Černý & Merz (2007a; Gil Ortiz, 2009a).

distribution within Europe From Scandinavia to the Pyrenees, Czechia and Thrace, and from Ireland to the Baltic States (Fauna Europaea, 2007a); also Corsica (Buhr, 1941b) and Spain (Černý & Merz (2007a; Gil Ortiz, 2009a).

puparium Oranje.

puparium Orange.

opmerkingen Niet zeldzaam, maar gewoonlijk in geringe dichtheid.

De larve wordt eveneens beschreven door Beri (1971d), maar van Lycopersicum esculentum, een zeer onwaarschijnlijke waardplant.

notes Not rare, but mostly in low density.

The larva is described also by Beri (1971d), but from Lycopersicum esculentum, a very improbable hostplant.

literatuur

references

Beiger (1979a), Beri (1971d), Beuk (2002a), Bland (1994c), De Bruyn & von Tschirnhaus (1991a), Buhr (1932a, 1941b, 1964a), Černý (2011a), Černý & Merz (2007a), Černý, Vála & Barták (2001a), Dempewolf (2001a), Drăghia (1967a), van Frankenhuyzen & Houtman (1972a), van Frankenhuyzen Houtman & Kabos (1982a), Gil Ortiz (2009a), Gil-Ortiz, Martinez & Jiménez-Peydró (2010a), Griffiths (1962a), Haase (1942a), Hartig (1939a), Hering (1924b, 1926b, 1955b, 1957a), Huber (1969a), Kabos (1971a), Kollár (2007a), Kollár & Hrubík (2009a), Kvičala (1938a), Maček (1999a), Manning (1956a), Matošević, Pernek, Dubravac & Barić (2009a), de Meijere (1895a, 1924a, 1939a), Michalska (1976a, 2003a), Nowakowski (1954a), Ostrauskas, Pakalniškis & Taluntyte (2003a), Pakalniškis (1995a), Parmenter (1949a), Popescu-Gorj & Drăghia (1966a), Robbins (1991a), Rydén (1926a), Sasakawa (1961a), Skala & Zavřel (1945a), Sønderup (1949a),Spencer (1953a, 1972a, 1976a), Starke (1942a), Starý (1930a), Surányi (1942a), von Tschirnhaus (1999a), Ureche (2010a), Zoerner (1969a).

02/10/2016