Liriomyza bulgarica Beiger, 1979

Diptera, Agromyzidae

mijn Aanvankelijk een gang bovenop de hoofdnerf, later verbreed tot een langgerekte blaas met veel, onregelmatige zijtakken die niet sterk geassocieerd zijn met de nervatuur. De mijn bevat altijd een aantal larven. Frass in onregelmatige korrels en sliertjes. Verpopping buiten de mijn. In tegenstelling tot bij L. strigata wordt de mijn niet voorafgegaan door een nauwe, onderzijdige gang.

mine Initially a corridor on top of the midrib, later widened into an elongated blotch with many, irregular side branches that are not strongly determined by the leaf venation. The mine invariably contains several larvae. Fras in irregular grains and strings. Pupation outide the mine. Contrary to L. strigata the mine is not preceded by a narrow lower-surface corridor.

waardplanten: Asteraceae, monofaag

hostplants: Asteraceae, monophagous

Sonchus arvensis, asper, oleraceus.

fenologie Larven in juni.

phenology Larvae in June.

BENELUX

Niet bekend uit de Benelux-landen (Fauna Europaea, 2009).

BENELUX

Not known from the Benelux countries (Fauna Europaea, 2009).

verspreiding binnen Europa Litouwen, Bulgarijë (Fauna Europaea, 2009).

distribution within Europe Lithuania, Bulgaria (Fauna Europaea, 2009).

larve Gelig, 2.5 mm; mandibels tweetandig, alternerend; zowel voor- als achterspiraculum knopvormig met 13, resp. 19 papillen.

larva Yellowish, 2.6 mm; mandibles two-teethed, alternating; both front and rear spiracula globular with 13 and 19 pupillae, respectively.

puparium Okergeel met bruine spiracula, 2.3 mm lang, duidelijk gesegmenteerd; achterspiracula elk op een kegelvormige basis.

puparium Ochreous-yellow with brown spiracula, 2.3 mm long, distinctly segmented; rear spiracula each on a cone-shaped base.

literatuur

references

Beiger (1979a,c), Ostrauskas, Pakalniškis & Taluntyte (2003a), Pakalniškis (2000a), Spencer (1990a).

modif. 10.iii.2009