Liriomyza centaureae Hering, 1927

Diptera, Agromyzidae

Centaurea jacea, België, prov. Namen, Couvin, lieu-dit “Roche Albéric” © Stéphane Claerebout: bezette mijn

Liriomyza centaureae: mine on Centaurea jacea

Centaurea jacea, Belgium, prov. Namur, Couvin, lieu-dit “Roche Albéric” © Stéphane Claerebout: occupied mine

zelfde mijn in doorzicht

Liriomyza centaureae: mine on Centaurea jacea

same mine lighted from behind

Centaurea scabiosa, Cartils

Liriomyza centaureae: mine on Centaurea scabiosa

Centaurea scabiosa, Cartils

mijn Vrij lange, bovenzijdige, weinig vertakte gangmijn; windingen dicht bijeen. Frass in parelsnoertjes en sliertjes. Verpopping buiten de mijn.

mine Fairly long, upper-surface, little branched corridor; loops close together. Frass in pearl chains or strings. Pupation external.

waardplanten: Asteraceae, oligofaag

hostplants: Asteraceae, oligophagous

Centaurea cineraria, jacea, macroptilon, phrygia & subsp. pseudophrygia, scabiosa, stoebe; Cota tinctoria; Cyanus montanus.

De opname van Cota bij de waardplanten is gebaseerd op de synonymie van Lirimoyza anthemidis Pakalniškis.

The inclusion of Cota among the hostplants is based on the synonymy of Liriomyza anthemidis Pakalniškis.

fenologie Larven in juni-juli (Hering, 1957a).

phenology Larvae in June-July (Hering, 1957a).

BENELUX

BE waargenomen, zie foto's hierboven.

NE waargenomen (Ellis, div. loc.).

LUX waargenomen (Ellis: Kautenbach).

BENELUX

BE recorded, see pictures above.

NE recorded (Ellis, several loc.).

LUX recorded (Ellis: Kautenbach).

verspreiding binnen Europa Van Scandinavië en de Baltische Staten tot het Iberisch Schiereiland en Italië, en van Engeland tot Hongarijë; ook Thracië (Fauna Europaea, 2008) en Turkijë (Civelek, Deeming & Önder, 2000a).

distribution within Europe From Scandinavia and the Baltic States to the Iberian Peninsula and Italy, and from the UK to hymgary; also in Thrace (Fauna Europaea, 2008) and Turkey (Civelek, Deeming & Önder, 2000a).

larve Beschreven door de Meijere (1937); achterspiraculum met 8-9 papillen. Pakalniškis (1994a) noemt er 6 of 7 voor zijn anthemidis.

larva Described by de Meijere (1937); rear spiraculum with 8-9 papillae. Pakalniškis (1994a) mentions 6 or 7 in his anthemidis.

puparium Geel (Pakalniškis, 1994a).

puparium Yellow (Pakalniškis, 1994a).

synoniemen Lirimoyza anthemidis Pakalniškis (1994.

synonyms Liriomyza anthemidis Pakalniškis (1994.

literatuur

references

Ahr (1966a), Beiger (1958a, 1970a, 1979a), Buhr (1964a), Civelek, Deeming & Önder (2000a), Griffiths (1962a), Hartig (1939a), Hering (1927b, 1930b, 1955b, 1957a), Huber (1969a), Kvičala (1938a), Maček (1999a), Manning (1956a), de Meijere (1937a), Michalska (1970a), Nowakowski (1954a), Ostrauskas, Pakalniškis & Taluntyte (2003a), Pakalniškis (1982b, 1994a), Robbins (1991a), Skala & Zavřel (1945a), Sønderup (1949a), Spencer (1971a, 1972a, 1976a), Starý (1930a), Süss & Moreschi (2003a), von Tschirnhaus (1999a), Zoerner (1969a).

24/01/2017