Liriomyza clarae Beiger, 1972

Diptera, Agromyzidae

mijn Diepe blaasmijn die het gehele blad kan beslaan, met inbegrip van de bladsteel (het is denkbaar dat de larve via deze route naar een ander blad migreert). Frass in donkergroene klompen en slierten. Verpopping buiten de mijn, boogsnede in de bovenepidermis.

mine Deep blotch, that may occupy the while leaf, inluding the petiole; possibly the larva migrates to another leaf via the petiole. Frass in dark green clumps or strings. Pupation outside the mine, exit slit in upper epidermis.

waardplanten: Saxifragaceae, nauw monofaag

hostplants: Saxifragaceae, narrowly monophagous

Saxifraga carpatica.

fenologie Larve in juli.

phenology Larva in July.

verspreiding binnen Europa Polen (Fauna Europaea, 2009).

distribution within Europe Poland (Fauna Europaea, 2009).

larve Geel; mandibels met twee tanden, alternerend; zowel voor- als achterspiraculum met ca 9 papillen.

larva Yellow; mandibles with 2 teeth, alternating; both front and rear spiraculum with about 9 papillae.

puparium Geel.

puparium Yellow.

literatuur

references

Beiger (1972b), Michalska Myssura & Walczak (2010a).

23/01/2013