Liriomyza endiviae Hering, 1955

Diptera, Agromyzidae

mijn Bovenzijdige bruinige blaasmijn met veel, regelmatig over de mijn verspreide zwartgroene frasskorels. De mijn wordt voorafgegaan door een korte, snel breder wordende gang. Secundaire vraatlijnen opvallend. De larve verlaat voor de verpopping de mijn via een bovenzijdige boogsnede.

mine Brownish, upper-surface blotch, preceded by a sohrt, quickly widening gallery. Frass in numerous, blackish-green, regularly scattered granules. Secondary feeding lines conspicuous. Pupation outside the mine. Exit slit in upper epidermis.

waardplanten: Asteraceae, oligofaag

hostplants: Asteraceae, oligophagous

Cichorium intybus; Crepis biennis, capillaris, paludosa; Lactuca virosa; Sonchus arvensis, asper, oleraceus.

fenologie Larven in april-mei, juli, en september (Hering, 1957a).

phenology Larvae in April-May, July, and September (Hering, 1957a).

BENELUX

Niet bekend uit de Benelux-landen (Fauna Europaea, 2008).

BENELUX

Not known from the Benelux countries (Fauna Europaea, 2008).

verspreiding binnen Europa Van Duitsland en Tsjechië tot het Iberisch Schiereiland; ook Litouwen (Fauna Europaea, 2008).

distribution within Europe From Germany and Czechia to the Iberian Peninsula; also Lithuania (Fauna Europaea, 2008).

literatuur:

references:

Beiger (1979a), Černý (2004a, 2011a), Hering (1955c, 1957a), Huber (1969a), Ostrauskas, Pakalniškis & Taluntyte (2003a), Pakalniškis (2000a), von Tschirnhaus (1999a).

19/10/2014