Liriomyza gypsophilae Beiger, 1972

Diptera, Agromyzidae

mijn Ovipositie aan de bladonderzijde, meestal bij de bladbasis. Vandaar loopt een lange, nauwe, slanke gang twee of driemaal door de lengterichting van het blad, en vormt tenslotte een bovenzijdige blaas. Frass donkergroen, als talrijke kleine korrels in de gang, als klonten en draadstukjes in de blaas. Verpopping buiten de mijn; boogsnede in de bovenepidemis, aan de van de bladtop afgekeerde zijde van het blad.

mine Oviposition at the underside of the leaf, usually neat the base. From there a long, narrow, slender corridor runs two or three times through the length of the leaf, to form finally an upper-surface blotch. Frass dark green, as numerous small grains in the corridor, as lumps and short threads later. Pupation outside the mine, exit slit in upper epidermis, at the basal side of the blotch.

waardplanten: Caryophyllaceae, monofaag

hostplants: Caryophyllaceae, monophagous

Gypsophila repens.

fenologie Larven in september, minder vaak ook augustus.

phenology Larvae in September, less often also in August.

verspreiding binnen Europa Polen, Litauwen (Fauna Europaea, 2009).

distribution within Europe Poland, Lithuania (Fauna Europaea, 2009).

larve Geel; mandibels met twee tanden, alternerend; voor- en achterspiraculum met 8, resp. 6 papillen.

larva Yellow; mandibles with two teeth, alternating; front and rear spiraculum with 8 and 6 papillae, respectively.

puparium Geel, duidelijk gesegmenteerd, ventraal vlak.

puparium Yellow, clearly segmented, ventrally flattened.

literatuur

references

Beiger (1972b), Pakalniškis (1998b).

modif. 1.vii.2009