Liriomyza lesinensis Hering, 1967

Diptera, Agromyzidae

mijn Primaire blaasmijn, die zich uitbreidt in de richting van de bladtop; de mijn breidt zich uit over de hoofdnerf heen. Het laatste, jongste, deel van de mijn is duidelijk ondieper dan het eerste deel. Frass in gaandeweg groter wordende korrels. Verpopping buiten de mijn, boogsnede in de bovenepidermis.

mine Primary blotch, that is expanded in the direction of the leaf tip; the mine expands over the midrib. The latest, youngest, part of the blotch is clearly shallower than the oldest part. Frass in gradullay larger grains. Pupation external, exit slit in upper epidermis.

waardplanten: Asteraceae, monofaag

hostplants: Asteraceae, monophagous

Lactuca serriola.

verspreiding binnen Europa Servië (Fauna Europaea, 2010).

distribution within Europe Serbia (Fauna Europaea, 2010).

larve Mandibel met twee tanden, niet alternerend. Achterwaartse armen van het kopskelet tot het eind toe sterk gechitiniseerd, zwart, slank, de bovenste bijna tweemaal zo lang als de onderste. Voorspiraculum knopvormig, met ca 9 papillen; achterspiraculum hoefijzervormig, met zes grote papillen.

larva Mandible with two teeth, not alternating. Rear arms of the cephalic skeleton strongly chitinised to the end, black, slender, the dorsal one almost twice as long as the ventral one. Front spiraclum bud-like, with c. 9 papillae; rear spiraculum horseshoe-shaped, with 6 large papillae.

puprium Roodbruin, slank, meer dan tweemaal zo lang als breed. (Bij de verwante L. scorzonerae, die op dezelfde waardplant leeft, is het puparium lichtgeel en minder dan tweemaal zo lang als breed.)

puparium Reddish brown, slender, more than twice as long as wide. (In the related L. scorzonerae, that lives on the same host, the puparium is light yellow and less than twice as long as wide.)

literatuur

references

Hering (1967a).

08/08/2010