Liriomyza ptarmicae de Meijere, 1925

Diptera, Agromyzidae

Achillea millefolium, Bemelen

17014

Achillea millefolium, Bemelen

Achillea ptarmica, Amstelveen, Schinkelbos

17438

Achillea ptarmica, Amstelveen, Schinkelbos

mijn Een smalle bruinige gangmijn die zowel onderzijdig als bovenzijdig kan zijn. Frass in slierten of parelsnoertjes. Verpopping buiten de mijn. In kleine blaadjes kan de mijn voldiep zijn, en het hele blad in beslag nemen (Buhr, 1932a). In elk geval bij Achillea millefolium ligt de mijn meestal in de top van een blad.

mine Narrow brownish corridor, either upper- or lower-surface. Frass in strings or pearl chains. Pupation outside the mine. In small leaves the mine can be full-depth and occupy the entire leaf (Buhr, 1932a). At least in em>Achillea millefolium mines are generally found in the top half of the leaf.

waardplanten: Asteraceae, oligofaag

hostplants: Asteraceae, oligophagous

Achillea distans, millefolium, ptarmica, seidlii; Anthemis arvensis; Glebionis coronaria.

fenologie Larven in augustus Hering (1957a).

phenology Larvae in August Hering (1957a).

BENELUX

BE waargenomen (Ellis: Bois d'Etalles).

NE waargenomen (de Meijere, 1939a).

LUX waargenomen (Ellis: Kautenbach).

BENELUX

BE recorded (Ellis: Bois d'Etalles).

NE recorded (de Meijere, 1939a).

LUX recorded (Ellis: Kautenbach).

verspreiding binnen Europa Van Scandinavië tot de Pyreneeën, Alpen en Hongarijë, en van Engeland tot Wit-Rusland; ook Sicilië (Fauna Europaea, 2008).

distribution within Europe From Scandinavia to the Pyrenees, Alps and Hungary, and from the UK to Belarus; also Sicily (Fauna Europaea, 2008).

synoniemen Liriomyza aesalon Hering, 1936; Liriomyza chrysanthemi Hering, 1956; Liriomyza millefolii Hering, 1927 [Spencer, 1971a, 1976a], L. pilosa Spencer, 1969. L. ptarmicae is lang verward met L. pumila, die op zijn beurt tegenwoordig als synoniem van L. strigata wordt beschouwd.

synonyms Liriomyza aesalon Hering, 1936; Liriomyza chrysanthemi Hering, 1956; Liriomyza millefolii Hering, 1927 [Spencer, 1971a, 1976a], L. pilosa Spencer, 1969. L. ptarmicae has long beenn confused with L. pumila, that in his turn is considered now a synonym of L. strigata.

opmerkingen In 2004 door mij Phytomyza corvimontana als Nederlands vermeld, op grond van twee monsters van lege mijnen uit Overijssel. In 2007 werd echter in Amstelveen op A. ptarmica mijnenmateriaal verzameld, waarvan de mijn opnieuw geheel voldeed aan de beschrijving van corvimontana (met name de frass fijnkorrelig, © hieronder), maar waarvan de larve duidelijk een Liriomyza was. Vooralsnog veronderstel ik daarom dat al het Nederlandse materiaal van corvimontana als L. ptarmicae moet worden beschouwd.

notes In 2004 I reported in this site Phytomyza corvimontana as a new spcies for the Dutch fauna, on the basis of two samples of vacated mines from the province of Overijssel. However, in 2007 I collected mine material on A. ptarmica in Amstelveen that by its mine agreed closey with corvimontana (in particular in the fine-grained texture of the frass, see the ©), but which was inhabited by an obvious Liriomyza larva. For the moment I assume therefore that the Dutch corvimontana provisionally can best be placed along with L. ptarmicae.

Achillea ptarmica, Amstelveen, Schinkelbos

187439

Achillea ptarmica, Amstelveen, Schinkelbos

literatuur

references

Ahr (1966a), Beuk (2002a), Buhr (1932a), (Černý 2001a, 2007a), Černý, Barták & Roháček (2004a), Černý & Vála (1996a, 1999a), Černý, Vála & Barták (2001a), van Frankenhuyzen, Houtman & Kabos (1982a), Hering (1927b, 1931f, 1936c, 1955b, 1956a, 1957a), Huber (1969a), (Kabos, 1971a), Martinez (1984a), de Meijere (1925a, 1939a), Ostrauskas, Pakalniškis & Taluntyte (2003a), Pakalniškis (1982b, 1990a, 1994a, 1998a), Robbins (1991a), Sasakawa (1994a), Sønderup (1949a), Spencer (1954a, 1966b, 1971a, 1972a, 1976a), Starke (1942a), Surányi (1942a), von Tschirnhaus (1999a), Zlobin (1986b).

25/01/2017