Liriomyza pusio (Meigen, 1830)

Diptera, Agromyzidae

mijn Bovenzijdige, pvallend korte gangmijn (ca. 4 cm). Soms verscheidene mijnen in een blad (Robbins, 1991a). Verpopping buiten de mijn.

mine Upper-surface, unusually short corridor (ca. 4 cm). Sometimes several mines in a leaf (Robbins, 1991a). Pupation outside the mine.

waardplanten: Poaceae, monofaag

hostplants: Poaceae, monophagous

Arrhenatherum elatius.

Volgens Scheirs, De Bruyn & Verdyck is dit de enige waardplant, maar Robbins (1991a) noemt daarnaast nog Agrostis.

According to Scheirs, De Bruyn & Verdyck this is the only hostplant, but Robbins (1991a) additionally mentions Agrostis.

fenologie Larven in october (Hering, 1957a).

phenology Larvae in October (Hering, 1957a).

BENELUX

BE waargenomen (Scheirs, De Bruyn & Verdyck, 1993a).

NE waargenomen (de Meijere, 1924a, als L. graminicola n.sp.).

LUX niet waargenomen (Fauna Europaea, 2008).

BENELUX

BE recorded (Scheirs, De Bruyn & Verdyck, 1993a).

NE recorded (de Meijere, 1924a, al L. graminicola n.sp.).

LUX not recorded (Fauna Europaea, 2008).

verspreiding binnen Europa Van Finland tot de Pyreneeën en Italië, en van Ierland tot Polen en HHongarijë (Fauna Europaea, 2008).

distribution within Europe From Finland to the Pyrenees and Italy, and from Ireland to Poland and Hungary (Fauna Europaea, 2008).

larve Beschreven door de Meijere (1924a, als graminicola). Voorspiraculum met 10 papillen. Het achterspiraculum heeft volgens de Meijere 8-9, volgens Hering (1957a) 5-7 papillen.

larva Described by de Meijere (1924a, as graminicola). Front spiraculum with 10 papillae. Rear spiraculum with 8-9 (de Meijere) or 5-7 (Hering, 1957a) papillae.

puparium Bruin.

puparium Brown.

synoniemen Liriomyza graminicola de Meijere, 1924; L. breviseta Frey, 1946.

Totdat Spencer (1971a) het typemateriaalonderzocht bestond er veel verwarring over de naam L. pusio. Hendel (1920) meende dat het een synoniem was van L. congesta; vandaar dat de Meijere (1924a) L. pusio uit Nederland meldt met Pisum als waardplant, en in 1939 pusio als een varieteit van L. congesta opneemt in zijn naamlijst. Later bracht Hendel (1931-1936) pusio ten onrechte in verband met L. tragopogonis, wat nog in Hering (1954a, 1957a) doorwerkt.

synonyms Liriomyza graminicola de Meijere, 1924; L. breviseta Frey, 1946.

Until the type material was studied by Spencer (1971a), there was much confusion around the name L. pusio. Hendel (1920) believed it to be a synomym of L. congesta; this explains why de Meijere (1924a) listed L. pusio from the Netherlands with Pisum as a hostplant, and recorded pusio as a variety of L. congesta in his checklist of 1939. Later Hendel (1931-1936) incorrectly connected pusio with L. tragopogonis, which still confused Hering (1954a, 1957a).

opmerkingen Hering (1957a) geeft als verschilkenmerk met L. graminivora dat deze mineert in de richting bladbasis-bladtop, terwijl L. pusio zou mineren in de richting top-basis. Dit wordt door Griffiths (1962a) weerlegd: bij pusio komen beide richtingen evenveel voor.

notes Hering (1957a) discriminates between L. graminivora and pusio because the first one would mine from the base of the leaf towards the tip, while pusio would work top-down. This has been refuted by Griffiths (1962a): both directions are equally common in pusio.

literatuur

references

Beiger (1958a), Beuk (2002a), Bland (2001a), Černý (2001a), Černý & Vála (1996a, 1999a), Černý, Vála & Barták (2001a), Griffiths (1962a, 1963b), Hering (1927a, 1954a, 1957a), Huber (1969a), Kabos (1971a), Manning (1956a), Martinez (1984a), de Meijere (1924a, 1939a), Pakalniškis (1990a), Robbins (1991a), Scheirs, De Bruyn & von Tschirnhaus (1995a), Scheirs, De Bruyn & Verdyck (1993a), Skala & Zavřel (1945a), Sønderup (1949a), Spencer (1954a, 1972a, 1976a), Starý (1930a), Süss (1982a), von Tschirnhaus (1999a).

20/10/2014