Liriomyza soror Hendel, 1931

Diptera, Agromyzidae

mijn Strikt bovenzijdige gangmijn, waarvan de windingen zo dicht bijeen liggen dat vaak een secundaire blaas ontstaat. De mijn doet ook nogal denken aan een compacte versie van die van Phytomyza cirsii. Frass aanvankelijk in losse korels, maar verder in de mijn in sliertjes, niet netjes langs de wand, maar slordig door de mijn verspreid.

mine Strictly upper-surface corridor; often the loops are so close that a secondary blotch develops. The mine resembles a compact version of the one of Phytomyza cirsii. Frass at first in isolated grains, later in strings, not along the sides but untidily scattered over the mine.

waardplanten: Asteraceae, monofaag

hostplants: Asteraceae, monophagous

Cirsium arvense, oleraceum.

fenologie Larven in juni-juli en september (Hering, 1957a).

phenology Larvae in June-July and September (Hering, 1957a).

BENELUX

BE waargenomen (Scheirs, De Bruyn & von Tschirnhaus, 1995a).

NE niet waargenomen (Fauna Europaea, 2008).

LUX niet waargenomen (Fauna Europaea, 2008).

BENELUX

BE recorded (Scheirs, De Bruyn & von Tschirnhaus, 1995a).

NE not recorded (Fauna Europaea, 2008).

LUX not recorded (Fauna Europaea, 2008).

verspreiding binnen Europa Van Duitsland tot de Pyreneeën, en van Engeland tot de Baltische Staten en Hongarijë (Fauna Europaea, 2008).

distribution within Europe From Germany to the Pyrenees, and from the UK to the Baltic States and Hungary (Fauna Europaea, 2008).

literatuur

references

Beiger (1979a), Černý (2001a, 2011a), Černý & Vála (1999a), Černý, Vála & Barták (2001a), Hering (1955a, 1957a), Huber (1969a), Maček (1999a), Martinez (1984a), Ostrauskas, Pakalniškis & Taluntyte (2003a), Robbins (1991a), Scheirs, De Bruyn & von Tschirnhaus (1995a), Spencer (1972a), von Tschirnhaus (1999a).

20/10/2014