Liriomyza trifolii (Burgess in Comstock, 1880)

Diptera, Agromyzidae

mijn Vrij lange, smalle, sterk gewonden, weinig breder wordende bovenzijdige gang, aan het eind vaak secundaire blaasmijn. Frass in draadstukjes aan weerszijden van de gang. Mijnen vaak in het topdeel van het blad. Verpopping buiten de mijn.

mine Rather long, narrow, strongly convoluted, not strongly widening, upper-surface gallery, often ending in a secondary blotch. Frass in thread fragments at either side. Mines often in the distal part of the lamina. Pupation outside the mine.

waardplanten: Breed polyfaag op allerlei dicotylen

hostplants: Broadly polyphagous on all sorts of dicotyledons

Anemone; Anethum; Anthriscus; Antirrhinum; Apium; Arachis; Arctium; Artemisia vulgaris; Asclepias; Aster; Avena; Basella; Bellis; Beta; Bidens; Brachycome; Brassica; Bryonia; Cajanus; Callistephus; Canavalia; Capraria; Capsella; Capsicum; Cardiospermum; Carthamus; Cassia; Celosia; Centaurea; Centranthus; Cestrum; Chelone; Chenopodium; Chrysanthemum; Cirsium arvense; Citrullus; Conoclinium; Convolvulus; Crataegus; Crotalaria; Cucumis; Cucurbita; Dahlia; Datura; Daucus; Dianthus; Dimorphotheca; Erechtites; Erigeron; Eupatorium; Fallopia; Flaveria; Fuchsia; Gaillardia; Galinsoga; Gazania; Gerbera; Gladiolus; Glycine; Gnaphalium; Gossypium; Gypsophila; Helianthus; Helichrysum; Helminthotheca echioides; Hibiscus; Holmskioldia; Hordeum; Hydrocotyle; Hymenopappus; Ipomoea; Kallstroemia; Lactuca serriola; Lamium; Lannea; Lantana; Lathyrus; Launaea; Leucanthemum; Linaria; Lycopersicon esculentum; Medicago; Melilotus; Molucella; Momordica; Nepeta; Ocimum; Passiflora; Pastinaca; Peperomia; Peristrophe; Petroselinum; Petunia; Phaseolus; Phlox; Picris hieracoides; Piper; Pisum; Plantago; Polygonum; Portulaca; Primula; Pupalia; Ranunculus; Raphanus; Ricinus; Rumex; Ruspolia; Salvia; Scaevola; Senecio; Solidago; Sonchus asper; Spilanthes; Spinacia; Stellaria; Synedrella; Tagetes; Tanacetum; Taraxacum; Thlaspi; Tithonia; Trachelium; Tragopogon; Tribulus, Tridax; Trifolium; Trigonella; Tropaeolum; Typha; Verbena; Vernonia; Vicia; Vigna; Withania; Xanthium; Zinnia.

BENELUX

BE waargenomen (Fauna Europaea, 2008).

NE waargenomen (van Frankenhuyzen & van de Bund, 1979a).

LUX niet waargenomen (Fauna Europaea, 2008).

BENELUX

BE recorded (Fauna Europaea, 2008).

NE recorded (van Frankenhuyzen & van de Bund, 1979a).

LUX not recorded (Fauna Europaea, 2008).

verspreiding binnen Europa De eerste waarnemingen van de soort kwamen uit Noord- en Zuid-Amerika. Door de handel in snijbloemen (chrysanten) in de tachtiger jaren over de hele wereld verspreid. In gematigde streken hoofdzakelijk in kassen (Dempewolf, 2004a).

distribution within Europe The first records of the species come from North and South America. Transported over practically the entire world in the eighties by the trade in cut flowers (chrysanthemums). In temperate regions mainly in greenhouses (Dempewolf, 2004a).

larve Voorspiraculum met 6 papillen, achterspiraculum met 3, waarbij de buitenste twee wat verlengd zijn. In tegenstelling tot bij L. bryoniae is het gehele larvelichaam geel (Minkenberg & van Lenteren, 1986a).

larva Front spiraculum with 6 papillae, rear spiraculum with 3, the outher ones somewhat elongated. Contrary to L. bryoniae the larval body is entirely yellow (Minkenberg & van Lenteren, 1986a).

puparium Geelbruin.

puparium Yellowish brown.

synoniemen Liriomyza phaseolunulata (Frost, 1943); L. alliovora Frick, 1955.

In veel oudere publicaties (onder meer Hering, 1957a), maar ook Stammer (2016a) wordt de naam trifolii gebruikt voor wat nu als Liriomyza congesta wordt aangeduid. De L. trifolii bij van Frankenhuyzen Houtman & Kabos (1982a) is een mix van congesta en trifolii.

synonyms Liriomyza phaseolunulata (Frost, 1943); L. alliovora Frick, 1955.

In many older publications (including Hering,1957a) but also Stammer (2016a) the name trifolii is used to denote what presently is named Liriomyyza congesta. The L. trifolii in van Frankenhuyzen Houtman & Kabos (1982a) is a mix of congesta and trifolii.

opmerkingen Zeer schadelijke soort, in gematigde streken hoofdzakelijk in kasteelten, in de tropen en subtropen ook daarbuiten. De floridamineervlieg is mede zo gevaarlijk omdat hij snel een grote mate van resistentie tegen velerlei insecticiden heeft ontwikkeld (Spencer, 1973b; Minkenberg & van Lenteren, 1986a; Darvas, Skuhravá & Andersen, 2000a).

notes Very serious pest species, in temperate regions mainly in greenhouse crops, in the tropics and subtropics also in the open. The species is particularly dangerous because it quickly has developed a high degree of resistance against a variety of insecticides (Spencer, 1973b; Minkenberg & van Lenteren, 1986a; Darvas, Skuhravá & Andersen, 2000a).

literatuur

references

d'Aguilar & Martinez (1979a), Bethke & Parella (1985a), Beuk (2002a), Capinera (2014b), Černý (2004a), Černý & Merz (2007a), Černý & Vála (1996a), Ci̇velek, Çikman & Dursun (2008a), Collins (0000a), Darvas, Skuhravá & Andersen (2000a), Dempewolf (2004a), van Frankenhuyzen & van de Bund (1979a), van Frankenhuyzen Houtman & Kabos (1982a), Gil Ortiz (2009a), Gil Ortiz ao (2009a), Iwasaki & Mizushima (1997a), Komnenovic & Pagliarini (1980a), Masetti, Lanzoni, Burgio & Süss (2004a), Minkenberg & van Lenteren (1986a), Parella (1987a), Parella, Jones, Youngman & LeBeck (1985a), Protocol for the diagnosis of quarantine organisms [2008], Šefrová (2015a), Shiao (2004a), Spencer (1973b), Stammer (2016a), Süss (1991b), von Tschirnhaus (1999a).

28/04/2017