Liriomyza violicaulis Hering, 1962

Diptera, Agromyzidae

mijn De larve mineert niet alleen in de bladschijf, maar ook in de bladsteel en de schors van de ondergrondse stengel. Ze komen ook in de kleine steunblaadjes terecht, die geheel kunnen worden uitgemijnd. In de bladeren kunnen de mijnen zowel onder- als bovenzijdig zijn. Frass in korte draadstukjes, af en toe in geïsoleerde korrels.

mine Not only the leaf disk is mined, but also the petiole and the rind of the underground stem. Even the small stipules are visited, and can be mined out completely. Mines in the leaves either upper- or lower-surface. Frass in short thread fragments, now and then in isolated grains.

waardplanten: Violaceae, monofaag

hostplants: Violaceae, monophagous

Viola arvensis, tricolor.

fenologie Larven in begin juli en midden september (Hering, 1962a).

phenology Larvae in early July and mid September (Hering, 1962a).

BENELUX

Niet bekend uit de Benelux-landen (Fauna Europaea, 2008).

BENELUX

Not known from the Benelux countries (Fauna Europaea, 2008).

verspreiding binnen Europa Duitsland, Litouwen (Fauna Europaea, 2008).

distribution within Europe Germany, Lithuania (Fauna Europaea, 2008).

larve Beschreven door Hering (1955a: 269, als Liriomyza sp.); achterspiraculum met 9-12 papillen.

larva Described by Hering (1955a: 269, as Liriomyza sp.); rear spiraculum with 9-12 papillae.

literatuur

references

Buhr (1964a), Hering (1955a, 1957q, 1962a), Ostrauskas, Pakalniškis & Taluntyte (2003a), Pakalniškis (1998a), von Tschirnhaus (1999a).

modif. 31.iii.2008