Napomyza bellidis Griffiths, 1967

Diptera, Agromyzidae

mijn De larve leeft meestentijds in de hoofdnerf van de rozetbladeren. Regelmatige worden van daar korte gangetjes gemaakt in de bladschijf. Ze zijn aanvankelijk bleekgroen, later bijna voldiep en wittig, en behoorlijk opvallend; ze bevatten geen frass. De larve kan van het ene blad naar het ander verhuizen via het hart van de plant. Voor de ontwikkeling zijn 3-4 blaadjes nodig. Het puparium blijft in de mijn; tevoren heeft de larve op de wand van de poppenwieg tot op de cuticula schoongeschraapt (Griffiths, 1967c).

mine Most of the time the larva lives in the midrib of the rosette leaves. Now and then short excursions are made into the blade. At first they are pale green, later they are almost full depth and whitish, and quite conspicuous. They do not contain frass. The larva may migrate from one leaf to another by way of the heart of the rosette. For its development it needs 3-4 leaves. Pupation within the mine. Before that the larva has scraped clean the wall of the pupal chamber up to the cuticula.

waardplanten: Asteraceae, monofaag

hostplants: Asteraceae, monophagous

Bellis perennis.

BENELUX

BE waargenomen (Scheirs, De Bruyn & von Tschirnhaus, 1999a).

NE niet waargenomen (Fauna Europaea, 2008).

LUX niet waargenomen (Fauna Europaea, 2008).

BENELUX

BE recorded (Scheirs, De Bruyn & von Tschirnhaus, 1999a).

NE not recorded (Fauna Europaea, 2008).

LUX not recorded (Fauna Europaea, 2008).

verspreiding binnen Europa Van Scandinavië tot de Pyreneeën, en van Engeland tot de Ukraïne (Fauna Europaea, 2008).

distribution within Europe From Scandinavia tot the Pyrenees, and from the UK to the Ukraine (Fauna Europaea, 2008).

literatuur

references

Černý (2004a, 2007a, 2011a), Černý & Merz (2006a, 2007a), Griffiths (1967c), Scheirs, De Bruyn & von Tschirnhaus (1999a), Spencer (1972a), Süss (1999a).

22/10/2014