Ophiomyia pulicaria (Meigen, 1830)

Diptera, Agromyzidae

Taraxacum officinale, Nieuwendam

8774

Taraxacum officinale, Nieuwendam

detail

detail

detail

mijn Brede gang bovenop de hoofdnerf, met korte uitlopers in de bladschijf, vooral vanuit het basale gedeelte. Frass geconcentreerd in het basale deel van de mijn, vrijwel geen frass in de uitlopers. Verpopping in de mijn, eveneens in het basale gedeelte.

mine Broad corridor overlying the midrib, with short excursion into the blade, mainly in its basal part. Frass concentrated in the basal part of the mine, corridors almost free from frass. Pupation in the mine, also in the basal part.

waardplanten: Asteraceae, nauw oligofaag

hostplants: Asteraceae, narrowly oligophagous

Aposeris foetida; Chondrilla juncea; Crepis; Hieracium; Hypochaeris; Lactuca serriola; Lapsana communis; Leontodon; Mycelis muralis; Picris hieracioidea; Prenanthes purpurea; Reichardia; Sonchus asper, oleraceus; Taraxacum officinale.

fenologie Larven van maart tot juli (Hering, 1957a).

phenology Larvae from March to July (Hering, 1957a).

BENELUX

BE waargenomen (De Bruyn & von Tschirnhaus, 1991a).

NE waargenomen (de Meijere. 1924a).

LUX niet waargenomen (Fauna Europaea, 2008).

BENELUX

BE recorded (De Bruyn & von Tschirnhaus, 1991a).

NE recorded (de Meijere. 1924a).

LUX not recorded (Fauna Europaea, 2008).

verspreiding binnen Europa Van Scandinavië tot het Iberisch Schiereiland, Italië en Servië, en van Engeland tot de Baltische Staten en Hongarijë; ook Thracië (Fauna Europaea, 2008) en Bulgarijë (Beiger, 1980a).

distribution within Europe From Scandinavia to the Iberian Peninsula, Italy, and Serbia, and from the UK to the Baltic States and Hungary; also Thrace (Fauna Europaea, 2008) and Bulgaria (Beiger, 1980a).

larve Beschreven door de Meijere (1928a) en Sasakawa (1961a). Spiracula: voorspiraculum een rechtopstaand stekeltje met ca. 14 papillen in twee rijen; achterspiraculum met 11-14 papillen. Mandibel met 2 tanden, de voorste veel groter dan de achterste.

larva Described by de Meijere (1928a) and Sasakawa (1961a). Spiracula: front spiraculum an erect spine with ca. 14 papillae in two rows; rear spiraculum with 11-14 papillae. Mandible with 2 teeth, the frontal one much larger than the proximal one.

puparium Geelwit.

puparium Yellowish-white.

synoniemen Melanagromyza pulicaria; M. olgae Hering, 1922.

synonyms Melanagromyza pulicaria; M. olgae Hering, 1922.

opmerkingen Bij kleine planten, vooral met te weinig rozetbladeren, kan ook de stengelschors worden gemineerd.

notes In small plants, especially when there are few rosette leaves, also the stem rind may be mined.

literatuur

references

Beiger (1955a, 1960a, 1965a, 1980a), Beuk (2002a), De Bruyn & von Tschirnhaus (1991a), Buhr (1932a, 1941b, 1964a), Černý (2001a, 2007a, 2011a, 2013a), Černý & Merz (2005a, 2007a), Černý & Vála (1996a, 1999a), Černý, Vála & Barták (2001a), van Frankenhuyzen, Houtman & Kabos (1982a), Hering (1922a, 1955b, 1957a), Huber (1969a), Kabos (1971a), Maček (1999a), Masetti, Lanzoni, Burgio & Süss (2004a), de Meijere (1924a, 1928a, 1939a), Nowakowski (1954a), Pakalniškis (1983a, 1990a, 1994a, 1998c), Papp & Černý (2015a), Robbins (1991a), Sasakawa (1961a), Scheirs, De Bruyn & von Tschirnhaus (1995a, 1996a), Skala (1936a), Sønderup (1949a), Spencer (1956a, 1957g, 1964a, 1972a,b, 1976a), Starke (1942a), Süss (1982a, 1999a), von Tschirnhaus (1982a, 1999a), Zlobin (1986b), Zoerner (1969a).

18/10/2016