Pegomya flavifrons (Walker, 1849)

Diptera, Anthomyiidae

Stellaria media, Nieuwendam

Pegomya flavifrons on Stellaria media

Stellaria media, Nieuwendam

Cerastium glomeratum, Nieuwendam

Pegomya flavifrons on Cerastium glomeratum

Cerastium glomeratum, Nieuwendam

Silene dioica, Winterswijk

Pegomya flavifrons: mine on Silene dioica

Silene dioica, Winterswijk

Silene vulgaris subsp. vulgaris, België, prov. Luik, Angleur; © Jean-Yves Baugnée

Pegomya flavifrons: mine on Silene vulgaris

Silene vulgaris subsp. vulgaris, Belgium, prov. Liège, Angleur; © Jean-Yves Baugnée

Stellaria holostea, Bunderbos: larve in de mijn

Pegomya flavifrons: mine on Stellaria holostea

Stellaria holostea, Bunderbos: larva in the mine

Stellaria holostea, Beuningen: begin van de mijn, met ei

Pegomya flavifrons: start of mine

Stellaria holostea, Beuningen: start of the mine, with egg

mijn Aan bladonderzijde per mijn een, zelden twee, langgerekt eischaaltjes. Niet zelden een aantal jonge mijnen, en dus eieren, per blad. De mijn begint met een kronkelende gang die snel overgaat in een grote blaasmijn. Deze is grotendeel voldiep, alleen pleksgewijs nog bovenzijdig en daar in doorzicht groenig. Frass volgens de literatuur rijkelijk aanwezig in verspreide klompen; naar mijn ervaring echter kan de larve, die er dan zeer donker uitziet, alle frass lijken op te sparen. De larve kan een mijn verlaten en in een ander blad opnieuw beginnen; deze secundaire mijnen zijn te herkennen aan het grote gat waar de larve is binnengedrongen. De larve verlaat voor de verpopping de mijn.

mine Each mine begins with one, rarely two, oval egg shells attached to the leaf underside. Sometimes a number of of young mines, and eggs, on one leaf. The first part of the mine is a tortuous corridor, quickly turning into a large blotch. Most of the blotch is full depth, only some patches are upper-surface, and greenish in transparancy. According to the literature copious frass in present in dispersed lumps. In my experience the larva -that then looks very dark- may accumulate all frass in its body. The larva is capable of leaving its mine, and starting a new one elsewhere. These secondary mines can be recognised by the large hole that was made by the larve upon entering. Pupation outside the mine.

waardplanten: Caryophyllaceae, oligofaag

hostplants: Caryophyllaceae, oligophagous

Cerastium fontanum subsp. triviale; Gypsophila repens; Moehringia trinervia; Myosoton aquaticum; Silene alba, coronaria, dioica, flos-cuculi, italica, noctiflora, vulgaris; Stellaria holostea, media, nemorum, sessiliflora.

Door Hering (1932h, 1957a) ook gevonden op Celosia cristata (Amaranthaceae).

Found by Hering (1932h, 1957a) also on Celosia cristata (Amaranthaceae).

fenologie Larven in mei-juni en augustus-september (Hering, 1957a).

phenology Larvae in May-June and August-September (Hering, 1957a).

BENELUX

BE waargenomen (Gosseries & Ackland, 1991a).

NE waargenomen (de Meijere, 1939a).

LUX waargenomen (Ellis: Kautenbach).

BENELUX

BE recorded (Gosseries & Ackland, 1991a).

NE recorded (de Meijere, 1939a).

LUX recorded (Ellis: Kautenbach).

verspreiding binnen Europa Vrijwel heel Europa, met mogelijke uitzondering van Ierland (Fauna Europaea, 2008).

distribution within Europe Almost entire Europe, with possible exception of Ireland (Fauna Europaea, 2008).

synoniemen Pegomya albimargo (Pandellé, 1901); P. villeneuviana (Hendel, 1925), P. moehringiae Hennig, 1957.

synonyms Pegomya albimargo (Pandellé, 1901); P. albimargo celosiae Hering, 1932; P. villeneuviana (Hendel, 1925), P. moehringiae Hennig, 1957.

opmerkingen De mijnen zijn niet altijd goed te onderscheiden van die van Scaptomyza graminum (behalve als er nog eischaaltjes te zien zijn), maar de larven verschillen sterk van elkaar.

Omdat de bladeren schoon leeg worden gegeten en vervolgens verdorren en afvallen lijken de mijnen waarschijnlijk zeldzamer dan ze werkelijk zijn.

notes The mines can be difficult to separate from those of Scaptomyza graminum (unless egg shells are present), but the larvae are abundantly different.

Because the leaves are completely mined out, then wither and fall off, the mines may seem more rare than they in reality are.

literatuur

references

Beiger (1965a, 1970a), Beuk, Prijs & de Jong (2002a), Buhr (1941b, 1964a), Dušek (1970a), van Frankenhuyzen, Houtman & Kabos (1982a), Gosseries & Ackland, (1991a), Haase (1942a), Hering (1924b, 1925a, 1932h, 1957a, 1961a, 1967a), Huber (1969a), Kabos (1975a), Maček (1999a), de Meijere (1939a), Michna (1975a), Niblett (1956a), Robbins (1991a), Séguy (1950a), Seidel (1957a), Skala (1951a), Sønderup (1949a), Surányi (1942a), Suwa (1974a), Zoerner (1969a, 1970a).

26/01/2017