Pegomya laticornis (Fallén, 1825)

Diptera, Anthomyiidae

Arctium sp., Kekerdom

Pegomya laticornis mine

Arctium sp., Kekerdom

Arctium sp., Groeningse Berg: zware aantasting

13916

Arctium sp., Groeningse Berg: heavy infestation

Arctium sp., Nieuwendam

8168

Arctium sp., Nieuwendam

mijn De mijn begint aan de bladonderzijde, dichtbij een zware nerf, bij een wit eischaaltje, dat ook bij volgroeide mijnen nog aanwezig is. Meestal liggen er verscheidene eieren op afstanden van ca. 1 cm langs een nerf. Elke larve maakt van daar uit een grote blaasmijn, zonder begingang. De frass is in een dichte klomp geconcentreerd in het begingedeelte van de mijn. In het begin van de mijn is de mijn onderzijdig (zodat zich boven de frassplek nog veel groen bladweefsel bevindt), maar verderop is de mijn zeer helder, en bovenzijdig, maar bijna voldiep. Bij verse mijnen zijn resten parenchym als secundaire vraatlijnen zichtbaar. Vaak vloeien oudere mijnen samen. Verpopping buiten de mijn.

mine The mine begins at the leaf underside, close to a heavy vein, at a white egg shall that remains in place even in fully developed mines. Often several eggs at distances of about 1 cm along the vein. Each larva makes a large blotch without a preceding corridor. Almost all frass is concentrated in a big mass in the the initial part of the mine. In this part the mine is lower-surface (therefore one sees green leaf tissue overlying the frass mass), but further on the mine is upper-surface, in fact almost full depth and very transparant. In fresh mines remnants of the parenchhyma are visible as secondary feeding lines. Often the older mines coalesce. Pupation outside the mine.

waardplanten: Asteraceae, monofaag

hostplants: Asteraceae, monophagous

Arctium lappa, minus, tomentosum.

fenologie Larven in juni-juli (Hering, 1957a).

phenology Larvae in June-July (Hering, 1957a).

BENELUX

BE niet waargenomen (Fauna Europaea, 2008).

NE waargenomen (de Meijere, 1939a, als genupuncta).

LUX niet waargenomen (Fauna Europaea, 2008).

BENELUX

BE not recorded (Fauna Europaea, 2008).

NE recorded (de Meijere, 1939a, as genupuncta).

LUX not recorded (Fauna Europaea, 2008).

verspreiding binnen Europa Van Zweden tot de Pyreneeën, en van Engeland tot Rusland en Roemenië (Fauna Europaea, 2008); ook Slovenië Maček, 1999a).

distribution within Europe From Sweden to the Pyrenees, and from the UK to Russia and Roumania (Fauna Europaea, 2008); also Slovenia (Maček, 1999a).

synoniemen Pegomya genupuncta (Stein, 1906).

synonyms Pegomya genupuncta (Stein, 1906).

opmerkingen Dempewolf (mond. med.) nam waar dat de larven zich bij zonnig weer terugtrokken in het deel van de mijn vlakbij de nerf, waar de frass geconcentreerd is; alleen bij bewolkt en regenachtig weer begeven ze zich ver in de mijn. Ook bij verstoring trekken ze zich op hun frassbastion terug.

notes Dempewolf (per. comm.) observed that during bright weather the larvae retreat to the part of the mine closest to the vein, where also the frass is concentrated; only in overcast or rainy weather they venture far in the mine. Also when disturbed they retreat to their frass fortress.

literatuur

references

Ahr (1966a), Beiger (1955a, 1960a, 1979a), Beuk, Prijs & de Jong (2002a), Buhr (1933a, 1964a), Dušek (1970a), Hering (1921a, 1924a, 1957a), Huber (1969a), Kabos (1975a), Kvičala (1938a), Maček (1999a), de Meijere (1939a), Michalska (19070a, 1976a), Niblett (1956a), Nowakowski (1954a), Robbins (1991a), Skala (1936a), Skala & Zavřel (1945a), Sønderup (1949a), Stammer (2016a), Starý (1930a), Teschner (1999a), Ureche (2010a), Zoerner (1969a).

31/03/2017