Pegomya solennis (Meigen, 1826)

Diptera, Anthomyiidae

Rumex obtusifolius, Nieuwendam

9491

Rumex obtusifolius, Nieuwendam

Rumex obtusifolius, Buikslotermeer: jonge mijn in doorzicht

8162

Rumex obtusifolius, Buikslotermeer: young mine, light from behind

Rumex acetosa, Nijmegen: als een larve zijn oude mijn verlaten heeft en zich elders opnieuw inboort, ziet de ingangsopening er ongeveer zo uit

Pegomya solennis, entrance hole

Rumex acetosa, Nijmegen: when a larva has left its mine and reenters elsewhhere in a leaf, this is how the entrance opening may look like

Rumex obtusifolius, Biddinghuizen, Spijk- en Bremerbergbos © Hans Jonkman: larve in een secundaire mijn

Pegomya solennis: larva in secondary mine

Rumex obtusifolius, Biddinghuizen, Spijk- en Bremerbergbos © Hans Jonkman: larva in a secondary mine

Rumex obtusifolius, België, prov Antwerpen, Schor van Ouden Doel; © Kris Peeters: levende larve; de achterspiracula zijn duidelijk zichtbaar

Pegomya solennis: living larva

Rumex obtusifolius, Belgium, prov Antwerp, Schor van Ouden Doel; © Kris Peeters: living larva; the rear spiracula are clearly visible

mijn Bij het begin van de mijn aan de bladonderzijde een groepje van ca. 5 ovale wittige eischaaltjes (1, op de kleine blaadjes van Rumex acetosella). De larven die hieruit komen trekken aanvankelijk schouder aan schouder op, waardoor een breed gangetje ontstaat. Al na korte tijd gaan ze ieder huns weegs, zodat een grote, door samenvloeien van mijnen vaak enorme, blaasmijn ontstaat. De mijn is in theorie bovenzijdig maar vaak schijnbaar voldiep. Frass zwartgroen, vaak vervloeiend. De larven kunnen de mijn verlaten en elders opnieuw beginnen. Verpopping buiten de mijn.

mine At the start of the mine at the leaf under surface a group of about 5 oval white egg shells (just 1 on the small leaves of Rumex acetosella). The emerging larvae initally work shoulder to shoulder in making a broad corridor. Later they split up, making a large blotch, that often is enlarged even more by fusion with other mines. The mine is practically full depth. Frass blackish-green, often deliquescent. The larvae can leave a mine and restart elsewhere. Pupation outside the mine.

waardplanten: Polygonaceae, nauw oligofaag

hostplants: Polygonaceae, narrowly oligophagous.

Emex spinosa; Oxyria digyna; Persicaria; Rumex acetosa, acetosella, alpestris, alpinus, aquaticus, chrysocarpos, conglomeratus. cordifolius, crispus, hydrolapathum, hymenosepalus, maritimus, obtusifolius, palustris, patientia, pseudonatronatus, pulcher, salicifolius, scutatus.

Slechts zelden op Persicaria; Rumex obtusifolius is de vooornaamste waardplant. Buhr (1933a) noemt nog een onzekere waarneming op Rheum undulatum.

Only rarely on Persicaria; Rumex obtusifolius is the main hostplant. Buhr (1933a) mentions an uncertain observation on Rheum undulatum.

fenologie Larven van mei tot september.

phenology Larvae from May to September.

BENELUX

BE waargenomen (Gosseries & Ackland, 1991a).

NE waargenomen (de Meijere, 1939a): zeer algemeen.

LUX waargenomen (Ellis: Kautenbach).

BENELUX

BE recorded (Gosseries & Ackland, 1991a).

NE recorded (de Meijere, 1939a); very common.

LUX recorded (Ellis: Kautenbach).

verspreiding binnen Europa Geheel Europe, uitgezonderd het Iberisch Schiereiland en Corsica (Fauna Europaea, 2008).

distribution within Europe Entire Europe, except the Iberian Peninsula and Corsica (Fauna Europaea, 2008).

synoniemen Pegomya versicolor (Meigen, 1826); P. nigritarsis (Zetterstedt, 1838).

synonyms Pegomya versicolor (Meigen, 1826); P. nigritarsis (Zetterstedt, 1838).

opmerkingen Van Frankenhuyzen & Freriks (1970b) geven details over de biologie.

notes Van Frankenhuyzen & Freriks (1970b) give details about the biology.

literatuur

references

Amsel & Hering (1931a, 1933a), Beiger (1958a, 1960a, 1965a, 1970a, 1979a, 1980a), Beuk, Prijs & de Jong (2002a), Buhr (1930a, 1933a, 1964a), Drăghia (1968a,,1972a), Dušek (1970a), van Frankenhuyzen & Freriks (1970b), van Frankenhuyzen, Houtman & Kabos (1982a), Godfray (1986a), Haase (1942a), Hartig (1939a), Hering (1923a, 1936b, 1957a, 1962a, 1967a), Huber (1969a), Kabos (1975a), Kvičala (1938a), Maček (1999a), de Meijere (1895a, 1939a), Michalska (1970a, 1976a), Niblett (1956a), Nowakowski (1954a), Pakalniškis (1983a), Robbins (1991a), Skala (1951a), Skala & Zavřel (1945a), Sønderup (1949a), Stammer (2016a), Starý (1930a), Stork (1936a), Suwa (1974a), Teschner (1999a), Ureche (2010a), de Vos-de Wilde (1935a), Zoerner (1969a, 1970a).

31/03/2017