Pegomya terebrans (Rondani, 1866)

Diptera, Anthomyiidae

mijn De volgroeide mijn is een gelijkmatig diepe, bovenzijdige, zeer onregelmatige, langerekte blaas bovenop de hoofdnerf, van waaruit even onregelmatige uitlopers in de bladschijf uitstralen. Frass in zeer veel, uiterst fijne korreltjes die als een schaduwlijn vooral de hoofdnerf, in minder mate ook de zijnerven volgt. De larve kan verscheidene mijnen maken. De eerste mijn begint bij een wit, onderzijdig, eischaaltje. Verpopping extern.

mine The full grrown mine is an upper-surface elongate blotch overlying the midrib, quite homogenous in depth, and very irregular in shape. Equally irregular branches radiate into the leaf. Frass in very numerous, extremely small granules that form a shadow line along the midrib, to a lesser extent also the side veins. The larva can make several mines; the first one begins at a lower-surface white egg shell. Pupation external.

waardplanten: Asteraceae, oligofaag

hostplants: Asteraceae, oligophagopus

Carduus acanthoides; Cirsium creticum; Cynara.

fenologie Bezette mijnen werden tussen eind april en eind mei gevonden (Hering, 1967a).

phenology Occupied mines were found between late April and late May (Hering, 1967a).

verspreiding binnen Europa De gepubliceerde waarnemingen stammen uit Zuid-Frankrijk, Croatië en Roemenië.

distribution within Europe The published records stem from southern France, Croatia and Romania.

synoniemen Hering schrijft de mijn toe aan Pegomya nigricornis Strobl, 1901. Het jaartal moet een verschrijving zijn, die naam werd door Strobl in 1909 gepubliceerd, als Pegomyia hyoscyami var. nigricornis. Door Hering uitgekweekt materiaal is gedetermineerd door Hennig, die enige jaren later nigricornis synonymiseerde met terebrans (Hennig, 1973a).

synonyms Hering associated the mine with Pegomya nigricornis Strobl, 1901. The year must be a mistake, because the name was published by Strobl in 1909, as Pegomyia hyoscyami var. nigricornis. Material bred by Hering was identifiedf by Hennig, who some years later synonymized nigricornis with terebrans (Hennig, 1973a).

opmerkingen De mijnen lijken zeer sterk opp die van Agromyza apfelbecki; ze kunnen op dezelfde plant, soms zelfs hetzelfde blad voorkomen. De mijn van apfelbecki begint uiteraard niet bij een zichtbaar eischaaltje; de mijn is veel minder regelmatig van diepte, en de frasskorrels zijn grover en liggen voor het meerendeel bovenop de hoofdnerf.

notes The mines strongly resemble those of Agromyza apfelbecki; they may occur on the same plant, even on the same leaf. The mine of apfelbecki obviously does not start at a visible egg shell; the mine is much less regular in depth, and the majority of the frass grains, that are coarser, lie on top of the midrib.

literatuur

references

Drăghia (1968a), Hering (1967a).

08/06/2010