Phytomyza albifrons Groschke, 1957

Diptera, Agromyzidae

mijn Lange (> 7 cm) gangmijn. Het begin is onderzijdig, epidermaal en moeilijk zichtbaar, ook al omdat het nauwelijks frass bevat. Het bovenzijdige deel is zeer slank. De frassdraadjes liggen vaak gescheiden door korte frassloze trajecten. De larve verlaat voor de verpopping de mijn via een boogvormige snede in de bovenepidermis.

mine Long (> 7 cm) corridor. The start is lower-surface, epidermal and easily overlooked, the more so because it hardly contains any frass. The upper-surface part of the corridor is very slender. Frass in threads, often separated by frass-free segments. Pupation outside the mine; exit slit in upper surface.

waardplanten: Ranunculaceae, mongofaag

hostplants: Ranunculaceae, monophagous

Thalictrum aquilegiifolium.

fenologie Larven in juni-juli en september (Hering, 1957a).

phenology Larvae in June-July and in September (Hering, 1957a).

BENELUX

Niet bekend uit de Benelux-landen (Fauna Europaea, 2008).

BENELUX

Not known from the Benelux countries (Fauna Europaea, 2008).

verspreiding binnen Europa Duitsland en Litouwen (Fauna Europaea, 2008).

distribution within Europe Germany and Lithuania (Fauna Europaea, 2008).

opmerkingen De soort is beschreven uit Zuid-Duitsland, en zou mogelijk in tuinen kunnen opduiken.

notes The species is decribed from southern Germany; it might turn up in gardens.

literatuur

references

Groschke (1957a), Hering (1957a), Huber (1969a), Pakalniškis (1993a, 2004a), von Tschirnhaus (1999a).

modif. 4.vi.2008