Phytomyza alpina Groschke, 1957

Diptera, Agromyzidae

mijn Aanvankelijk zeer smalle, maar uiteindellijk brede gangmijn; zijden in het begin parallel, later zwak geschulpt. Frasskorrels vooral tegen het einde opmerkelijk groot en ver uiteen liggend. Verpopping buiten de mijn, boogsnede meestal bovenzijdig.

mine Initially narrow, but in the end quite broad upper-surface corridor; sides parallel at first, weakly scalloped later. Frass grains especially towards the end unusually large and wide apart. Pupation outside the mine, exit slit mostly in the upper epidermis.

waardplanten: Asteraceae, monofaag

hostplants: Asteraceae, monophagous

Jacobaea alpina, incana susbsp. carniolica, subalpina, vulgaris; Senecio nemorensis, ovatus; Tussilago farfara.

In Noord-Amerika ook op Petasites (Griffiths, 1972b).

In North-America also on Petasites (Griffiths, 1972b).

fenologie Larven in juli Groschke (1957a).

phenology Larvae in July Groschke (1957a).

BENELUX

Niet bekend uit de Benelux-landen (Fauna Europaea, 2009).

BENELUX

Not known from the Benelux countries Fauna Europaea, 2009).

verspreiding binnen Europa Van Ierland tot Polen en de Alpen; ook Bulgarijë, Slovenië (Beiger, 1979a; Maček, 1999a; Fauna Europaea, 2009).

distribution within Europe From Ireland to Poland and the Alps; also Bulgaria, Slovenia (Beiger, 1979a; Maček, 1999a; Fauna Europaea, 2009).

larve Lijkt op die van Ph. tussilaginis (Griffiths, 1972b); voorspiraculum met 14-18 papillen, achterspiraculum met 22-36!

larva Similar to those of Ph. tussilaginis (Griffiths, 1972b); anterior spiraculum with 14-18 papillae, rear spiraculum with 22-36!

opmerkingen Boreo-alpiene soort.

notes Boreo-alpine species.

literatuur

references

Beiger (1978a, 1979a), Bland (1994b), Černý & Merz (2007a), Černý, Vála & Barták (2001a), Griffiths (1972b), Groschke (1957a), Hering ((1957a #4778, 1962a), Huber (1969a), Maček (1999a), Spencer (1972a), von Tschirnhaus (1999a).

20/10/2014