Phytomyza aronici Nowakowski, 1962

Diptera, Agromyzidae

mijn Lange, slanke, vooral aanvankelijk nogal kronkelende gang. Het eerste deel is bovenzijdige, maar het grootste deel is vrijwel continu interparenchymaal. Frass in staafjes afwisselend aan weerszijde van de gang. Verpopping extern, boogsnede in bovenepidermis.

mine Long, slender, especially in its first quarter rather tortuous gallery. The first, tortuous section is upper-surface, but the main part is almost continuously interparenchymatous. Frass in rods at either side. Pupation external, exit slit in upper epidermis.

waardplanten: Asteraceae, monofaag

hostplants: Asteraceae, monophagous

Doronicum austriacum, clusii.

fenologie Larven in augustus, september, een enkele al in juli; overwpintering als puparium.

phenology Larvae in August, September, a few already in July; hibernation as puparium.

verspreiding binnen Europa Polen, Tsjechië, Spanje (Fauna Europaea, 2010).

distribution within Europe Poland, Czechia, Spain (Fauna Europaea, 2010).

larve Frontaal aanhangsel aanwezig. Mandibels alternerend, met twee tanden, de voorste iets groter dan de achterste. Voorspiraculum kort twee-armig, met ca 12 papillen; achterspraculum lang twee-armig, met ca 19 papillen.

larva Frontal appendage present. Mandibles alternating, with twee teeth, the distal somewhat larger than the basal one. Front spiraculum shortly two-armed with c. 12 papillae, rear spiraculum long to-armed, with c. 19 papillae.

pop Donkerbruin, 2.3 mm, glanzend, bijna glad.

pupa Dark brown, 2.3 mm, shining, almost smooth.

opmerkingen Gebergtesoort.

notes Mountain species.

literatuur

references

Beiger (1978a), Nowakowski (1962a), Vála & Rohacek (1983a).

25/11/2011