Phytomyza bellidina Hering, 1934

Diptera, Agromyzidae

mijn Gang, aan het eind meestal tot eenb blaas verwijd. Frass in korrels, die vaak tot klompen verenigd zijn. Verpopping extern, boogsnede in de onderepidermis.

mine Corridor, mostly strongly widenend towards the end. Frass in grains, often aggregated in clumps. Pupation external, exit slit in lower epidermis.

waardplanten: Asteraceae, monofaag

hostplants: Asteraceae, monophagous

Bellis perennis, sylvestris.

fenologie Larven in maart-april, mogelijk zijn er meer generaties (Hering, 1957a).

phenology Larvae in March - April, but possiblty there are more generations (Hering, 1957a).

verspreiding binnen Europa Middelandse Zee-gebied van Portugal tot Servië (Fauna Europaea, 2009).

distribution within Europe Mediterranean Region between Portugal and Serbia (Fauna Europaea, 2009).

larve Beschreven door de Meijere (1937a) en Hering (1967a). Mandibel met twee tanden, niet alternerend; geen frontaal aanhangsel; voorspiraculum met ca 15 papillen, achterspiraculum met (15-) 18 (-21) papillen.

larva Described by de Meijere (1937a) and Hering (1967a). Mandible with two teeth, not alternating. No frontal appendage. Front spiraculum with c. 15 papillae, rear spiraculuum with (15-) 18 (-21) papillae.

literatuur

references

Buhr (1941b), Černý (2004a), Griffiths (1956b, 1976c), Hering (1935a, 1957a, 1967a), Maček (1999a), de Meijere (1937a), Spencer (1954d, 1957f, 1973c).

22/02/2011