Phytomyza biseta Hering, 1954

Diptera, Agromyzidae

mijn Het eerste deel van de mijn is een lange, onderzijdige, zeer oppervlakkige, geelgroenige gang die min of meer de bladrand volgt. De frass ligt hier in aparte, zwarte korrels, minder vaak in draadstukjes. De mijn wordt voortgezet in een breed, onregelmatig begrensd bovenzijdig deel met onregelmatig verspreide frasskorrels. Verpopping buiten de mijn, boogsnede in de onderepidermis.

mine The first part of the mine is a long, lower-surface, very shallow, greenish-yellow corridor that more or less follows the leaf margin. The frass here in the form of discrete, black grains, less often as thread fragments. The mine continues in an broad, irregular upper-surface part with irregularly dispersed frass grains. Pupation outside the mine, exit slit in lower epidermis.

waardplanten: Apiaceae, nauw monofaag

hostplants: Apiaceae, narrowly monophagous

Chaerophyllum hirsutum.

fenologie Larven in juni en october (Groschke, 1957a).

phenology Larvae in June and October (Groschke, 1957a).

BENELUX

Niet bekend uit de Benelux-landen (Fauna Europaea, 2009).

BENELUX

Not known from the Benelux countries (Fauna Europaea, 2009).

verspreiding binnen Europa Duitsland, Polen, Spanje (Fauna Europaea, 2009).

distribution within Europe Germany, Poland, Spain (Fauna Europaea, 2009).

puparium Zwart.

puprium Black.

literatuur

references

Ahr (1966a), Beiger (1979b), Buhr (1964a), Groschke (1957a), Henshaw & Howse (1989a), Hering (1954a, 1957a), Huber (1969a), von Tschirnhaus (1999a).

20/12/2011