Phytomyza cicutae Hendel, 1922

Diptera, Agromyzidae

mijn Kort, onderzijdig gangetje gevolgd door een lange, wittige, slordige bovenzijdige gangmijn. Frass aanvankelijk in parelsnoertjes, later in grove korrels. De larve verlaat voor de verpoping de mijn via een, meestal onderzijdige, boogsnede in de epidermis. Het glimmendzwarte puparium valt echter niet van de plant af (in het water!), maar is in de uitgang verankerd doordat de achterspiracula sterk verbreed zijn en naar opzij uitsteken (de Meijere, 1926a).

mine Short, lower-surface corridor followed by a long, whitish, untidy upper-surface corridor mine. Frass at first in pearl chains, ater in coarse lumps. Pupation outside the mine; exit slit mostly in the lower epiderms. The shining black puparium does not fall off (into the water!) but remains anchored by the rear spiracula that are strongly widened and extend laterally (de Meijere, 1926a).

waardplanten: Apiaceae, monofaag

hostplants: Apiaceae, monophagous

Cicuta virosa.

fenologie Larven in juli en september (Hering, 1957a).

phenology Larvae in July and September (Hering, 1957a).

BENELUX

Niet bekend uit de Benelux-landen (Fauna Europaea, 2008).

BENELUX

Not known from the Benelux countries (Fauna Europaea, 2008).

verspreiding binnen Europa Zweden, Denemarken, Duitsland, Polen, Litouwen (Fauna Europaea, 2008).

distribution within Europe Sweden, Denmark, Germany, Poland, Lithuania (Fauna Europaea, 2008).

larve Beschreven door de Meijere (1926a).

larva Described by de Meijere (1926a).

puparium Zie de Meijere (1926a, 1937a).

puparium See de Meijere (1926a, 1937a).

literatuur

references

Buhr (1932a), Dreger & Myssura (2005a), Hering (1957a), Huber (1969a), de Meijere (1926a, 1937a), S√łnderup (1949a), von Tschirnhaus (1999a).

22/02/2011