Phytomyza cinerea Hendel, 1920

Diptera, Agromyzidae

mijn Groenige, later bruinige, bovenzijdige blaasmijn in de top van een bladslip, zonder spoor van een begingang. Vaak verscheidene larven in een mijn. Secundaire vraatlijnen ontbreken. Frass in talrijke, onregelmatig verstrooide, zwartgroene korrels. Verpopping in de mijn, de puparia los in de mijn.

mine Greenish, later brownish, upper-surface blotch in the tip of a leaf segment, without a trace of an initial corridor. Often several larvae share a mine. No secondary feeding lines. Frass in numerous blackish green granules that are irregularly scattered. Pupation within the mine, puparia loose in the mine.

waardplanten: Asteraceae, nauw monofaag

hostplants: Asteraceae, narrowly monophagous

Centaurea scabiosa.

fenologie Larven in juli en september (Hering, 1957a).

phenology Larvae in July and September (Hering, 1957a).

BENELUX

Niet bekend uit de Benelux-landen (Fauna Europaea, 2008).

BENELUX

Not known from the Benelux countries (Fauna Europaea, 2008).

verspreiding binnen Europa Engeland, Duitsland, Spanje (Fauna Europaea, 2008); misschien ook Lapland (Rydén, 1951b; Spencer, 1976a).

distribution within Europe UK, Germany, Spain (Fauna Europaea, 2008); perhaps also Lapland (Rydén, 1951b; Spencer, 1976a).

larve Achterspiraculum met 12 papillen (Hering, 1957a).

larva Rear spiraculum with 12 papillae (Hering, 1957a).

puparium Roodbruin; beschreven door de Meijere (1926a).

puparium Reddish brown; described by de Meijere (1926a).

literatuur

references

Hering (1936b, 1956a, 1957a), Huber (1969a), Kvičala (1938a), de Meijere (1926a), Robbins (1991a), Rydén (1951b), Skala (1951a), Skala & Zavřel (1945a), Spencer (1954b, 1972a, 1976a), von Tschirnhaus (1999a).

18/12/2011