Phytomyza continua Hendel, 1920

Diptera, Agromyzidae

mijn De larve boort bij Arctium in de bladstelen en bij andijvie in de wortels, maar bij distels hoofdzakelijk in de basis van de hoofdnerf, en maakt daar korte zijdelingse uitstapjes in de bladschijf. De hoofdnerf zwelt vaak licht galachtig op, en krijgt een wat donkerder kleur. Een tot enkele larven in de gal. De verpopping vindt plaats in de mijn.

mine In Burdock the species bores in the petioles, and in Chicory it is a root borer, but in thistles it mainly lives in the base of the midrib, making from there brief excursions into the blade. The midrib swells somewhat, gall-like, and obtains a somewhat darker shade. The gall contains one or more larvae. Pupation takes place within the mine.

waardplanten: Asteraceae, oligofaag

hostplants: Asteraceae, oligophagous

Arctium minus; Carduus crispus; Cichorium; Cirsium.

fenologie Larven vanaf maart (Hering, 1957a).

phenology Larvae from March (Hering, 1957a).

BENELUX

BE waargenomen (Scheirs, De Bruyn & von Tschirnhaus, 1996a).

NE niet waargenomen (Fauna Europaea, 2008).

LUX niet waargenomen (Fauna Europaea, 2008).

BENELUX

BE recorded (Scheirs, De Bruyn & von Tschirnhaus, 1996a).

NE not recorded (Fauna Europaea, 2008).

LUX not recorded (Fauna Europaea, 2008).

verspreiding binnen Europa Van Scandinavië en Finland tot Spanje en Italië, en van Engeland tot Litouwen, Polen en Oostenrijk (Fauna Europaea, 2008).

distribution within Europe From Scandinavia and Finland to Spain and Italy, and from the UK to Lithuania, Poland and Austria (Fauna Europaea, 2008).

larve Beschreven door Dempewolf (2001a).

larva Described by Dempewolf (2001a).

puparium Beschreven en afgebeeld door de Meijere (1934a); opvallend groot.

puparium Described and depicted by de Meijere (1934a); unusually large.

synoniemen Phytomyza cardui Hering, 1943; Ph. polyarthrocera Frey, 1946; Ph. zetterstedti Rydén, 1951, nec Schiner, 1864; Ph. zetterstedtiana Rydén, 1953.

synonyms Phytomyza cardui Hering, 1943; Ph. polyarthrocera Frey, 1946; Ph. zetterstedti Rydén, 1951, nec Schiner, 1864; Ph. zetterstedtiana Rydén, 1953.

opmerkingen Robbins (1991a) schrijft korte gangetjes in de bladschijf van klit, die eindigen op een dikke nerf (waarna de larve als boorder verder gaat) toe aan Melanagromyza lappae (Loew). Volgens Dempewolf (mond. med.) berust dit zeer waarschijnlijk op verwisseling met Ph. continua.

notes Robbins (1991a) attributes short corridors in the blade pf Burdock that end upon a thick vein (thence continuing as tunnels) to Melanagromyza lappae (Loew). However, according to Dempewolf (pers. comm.) this probably is the work of Ph. continua.

literatuur

references

Andersen & Jonassen (1994a), Buhr (1964b), Černý (2001a, 2007a, 2011a), Černý & Merz (2006a, 2007a), Černý & Vála (1999a), Černý, Vála & Barták (2001a), Dempewolf (2001a), Hering (1943a, 1957a), de Meijere (1934a), Pakalniškis (1998a), Robbins (1991a), Scheirs, De Bruyn & von Tschirnhaus (1996a), Spencer (1972a,b, 1976a), Spooner & Bowdrey (2012a), Süss (1982a), Tomasi (2014a), von Tschirnhaus (1999a).

14/06/2015