Phytomyza conyzae Kaltenbach, 1859

Diptera, Agromyzidae

Inula helenium, België, prov. Namen, Gembloux; © Jean-Yves Baugnée

Phytomyza conyzae: mine on Inula helenium

Inula helenium, Belgium, prov. Namur, Gembloux; © Jean-Yves Baugnée

Pulicaria dysenterica, Susteren

8595

Pulicaria dysenterica, Susteren

puparium in de mijn

8595_det

puparium within the mine

mijn Bovenzijdige, vaak onderzijdig beginnende, gangmijn, die vaak een eindweegs de hoofdnerf begeleidt; soms blijft de hele mijn onderzijdig. De mijn is van meet af aan breed, met onregematige wanden. Frass aanvankelijk in twee rijen fijne korreltjes, later verder uiteen en meer onregelmatig, deels in parelsnoertjes. Het puparium wordt soms in, soms buiten de mijn gevormd. Als de larve de mijn heeft verlaten is er een boogvormig spleetje in de mijn te vinden. Als het puparium in de mijn blijft, steken de spiracula niet door de epidermis heen en bevindt zich vóór het puparium al een boogvormige snede (onderste ©).

mine Upper surface corridor, often following the midrib for some distance. Frequently the very first part of the mine is lower-surface, and sometimes the entire mine remains at the lower surface. The corridor is wide from the start, with irregular sides. Frass initially in two rows of fine grains; further on the grains become larger and more irregular, sometimes forming pearl chains, and are dispersed less regularly. Pupation takes place either outside or within the mine. When the larva has left the mine a semicircular exit slit is made. When the puparium is formed within the mine the spiracula do not penetrate the epidermis, and an irregular semicircular opening is made in the epidermis in front of the puparium (lower picture).

waardplanten: Asteraceae, oligofaag

hostplants: Asteraceae, oligophagous

Anaphalis; Arnica montana; Buphthalmum salicifolium; Dittrichia graveolens, viscosa; Erigeron bonariensis, canadensis; Inula britannica, candida, conyzae, ensifolia, helenium, hirta, oculus-christi, spiraeifolia;mLimbarda crithmoides; Pallenis; Pulicaria dysenterica; Telekia speciosa.

In het Middellandse-Zeegebied, waar de soort zeer talrijk is, is Dittrichia viscosa de voornaamste waardplant (Spencer, 1972b).

Dittrichia viscosa is the main hostplant in the Mediterranean Region, where the fly is abundant (Spencer, 1972b).

fenologie Larven in juni-juli en augustus-september (Hering, 1957a).

phenology Larvae in June-July and Augusr-September (Hering, 1957a).

BENELUX

BE waargenomen (Scheirs, De Bruyn & Verdyck, 1993a).

NE waargenomen (de Meijere, 1926a).

LUX waargenomen (Ellis, Palmberg bij Ahn).

BENELUX

BE recorded (Scheirs, De Bruyn & Verdyck, 1993a).

NE recorded (de Meijere, 1926a).

LUX recorded (Ellis, Palmberg near Ahn).

verspreiding binnen Europa Ten westen van de lijn Zweden - Thracië (Fauna Europaea, 2008).

distribution within Europe West of the line Sweden - Thrace (Fauna Europaea, 2008).

larve Beschreven door de Meijere (1926a); achterspiraculum met 15-20 papillen.

larva Described by de Meijere (1926a); rear spiraculum with 15-20 papillae.

synoniemen Phytomyza centaureae Hering, 1924; Ph. arnicophila Hering, 1931; Ph. riveriae Hering, 1932; Ph. inulina Hering, 1932.

synonyms Phytomyza centaureae Hering, 1924; Ph. arnicophila Hering, 1931; Ph. riveriae Hering, 1932; Ph. inulina Hering, 1932.

opmerkingen Hering (1967a) vond dat in Zuid-Europa (Italië, Dalmatië) het aantal papillen op de achterspiracula veel lager ligt, tussen 9 en 12.

Ook Beri (1971e) beschrijft de larve; omdat het materiaal echter afkomstig is van Clematis montana is de determinatie zeker onjuist.

notes Hering (1967a) noted that in southern Europe (Italy, Dalmacia) the number of papillae on the rear spiraculum is considerably reduced, between 9 and 12.

Also Beri (1971e) presents a description of the larvae; but because his material was taken from Clematis montana his identification cannot be taken seriously.

literatuur

references

Amsel & Hering (1933a), Beiger (1979a), Beri (1971e), Beuk (2002a), Buhr (1930a, 1941b, 1964a), Černý (2004a, 2011a), Černý & Vála (1996a, 1999a), Ci̇velek, Çikman & Dursun (2008a), Drăghia (1968a), Griffiths (1962a), Hering (1924a, 1930b, 1931a, 1932e, 1936b, 1957a,b, 1967a), Huber (1969a), Kabos (1971a), Kvičala (1938a), Maček (1999a).Masetti, Lanzoni, Burgio & Süss (2004a), de Meijere (1926a, 1937a, 1939a, 1941a, 1946a, 1950a), Niblett (1956a), Ostrauskas, Pakalniškis & Taluntyte (2003a), Robbins (1991a), Scheirs, De Bruyn & Verdyck (1993a), Skala & Zavřel (1945a), Sønderup (1949a), Spencer (1953a, 1954d, 1966b, 1967a, 1972a,b, 1973c, 1974a, 1976a), Starý (1930a), Süss (1982a), Surányi (1942a), von Tschirnhaus (1999a), Utech (1962a), Zoerner (1969a).

28/04/2017