Phytomyza ferulae scaligeriae Hering, 1967

Diptera, Agromyzidae

mijn Aanvankelijk zeer smalle, uiteindelijk vrij brede, gewoonlijk bovenzijdige gangmijn. Het eerste begin is bochtig, met enkele blinde zijktakken. Frass in geleidelijk groter wordende korrels, zelden sliertjes. Verpopping bijna altijd buiten de mijn, boogsnede in de bovenepidermis.

mine Usually an upper-surface gallery, very narrow at first, rather wide in the end. The start is rather twisted, with several dead ends. Frass in gradually larger grains, rarely in strings. Pupation almost invariably external, exit slit in the upper epidermis.

waardplanten: Apiaceae, monofaag

hostplants: Apiaceae, monophagous

Scaligeria cretica.

verspreiding binnen Europa Kroatiƫ (eiland Hvar); mijnen die waarschijnlijk hiertoe behoren zijn ook gevonden op Rhodos (Hering, 1967a).

distribution within Europe Croatia (island Hvar); mines, probably belonging to the same taxon, have also been found in Rhodos (Hering, 1967a).

larve Mandibels met twee tanden, sterk alternerend. Bovenste achterwaarts arm van het kopskelet meer dan tweemaal zo als de onderste. Voor- en achtespiraculum duidelijk twee-armig, met resp. 10-14 en 19-22 papillen.

larva Mandibles with two teeth, strongly alternating. The upper rear arm of the cephalic skeleton more than twice as long as the lower one. Anterior and posterior spiraculum both clearly two-armed, with 10-12 and 19-22 papillae, respectively.

opmerkingen De status van deze ondersoort is niet duidelijk; hij lijkt vergeten te zijn in de Fauna Europaea (2010).

notes The status of this subspecies is not clear; it seems to have been forgotten in the Fauna Europaea (2010).

literatuur

references

Hering (1967a), Spencer (1990a).

31/07/2010