Phytomyza gymnostoma Loew, 1858

Diptera, Agromyzidae

mijn Ovipositie in een bladoksel; vandaar daalt een gangmijn aan de bladbinnenzijde af. De gangen liggen niet over hun gehele lengte aan de oppervlakte. Vaak een aantal mijnen per plant. Opvallend is dat de meeste voedingsprikjes gerangschikt zijn in lijntjes, parallel aan het blad. De verpopping vindt laag in de plant plaats, nabij de bladbasis. De puparia zijn bruin en bevinden zich in de mijn. Ze zijn het makkelijkst te vinden door de buitenste bladeren naar buiten te buigen en te zoeken in de bladbasis (Collins & Lole, 2005a).

mine Oviposition in a leaf axil; from there a corridor descends along the leaf inner side. Part of the length of the corridor is below the surface. Often several mines per plant. Most of the feeding punctures are arranged in lines, parallel to the leaf. Pupation takes place low in the the plant, near the leaf base. The brown puparia are situated within the mine. They can best be found by bending the outer leaves outwards, and inspecting their bases (Collins & Lole, 2005a).

waardplanten: Alliaceae, monofaag

hostplants: Alliaceae, monophagous

Allium ampeloprasum, cepa.

fenologie Larven waarschijnlijk in de hele zomer en nazomer.

phenology Larvae probably the entire summer and latr summer.

BENELUX

BE niet waargenomen (Fauna Europaea, 2008).

NE waargenomen (de Meijere, 1924a).

LUX niet waargenomen (Fauna Europaea, 2008).

BENELUX

BE not recorded (Fauna Europaea, 2008).

NE recorded (de Meijere, 1924a).

LUX not recorded (Fauna Europaea, 2008).

verspreiding binnen Europa Heel West-Europa, met mogelijke uitzondering van het Balkan-schiereiland (Fauna Europaea, 2008); sinds kort ook bekend uit Engeland (Rob Edmunds in litt.).

distribution within Europe All of western Europe, with possible exception of the Balkan Peninsula (Fauna Europaea, 2008); recently also found in the UK (Rob Edmunds in litt.).

larve Larven opgewoon groot (5-8 mm); voorspiraculum met 16-18 papillen, achterspiraculum met 30-34 (Seljak, 1998a).

larva Larvae unusually large (5-8 mm); front spiraculum with 16-18 papillae, rear spiraculum with 30-34 (Seljak, 1998a).

synoniemen Napomyza gymnostoma; Phytomyza algeciracensis Strobl, 1906l Agromyza phytomyzina (Hering, 1933); Ph. palpata Hendel, 1935; Ph. palpalis Hendel, 1936.

synonyms Napomyza gymnostoma; Phytomyza algeciracensis Strobl, 1906l Agromyza phytomyzina (Hering, 1933); Ph. palpata Hendel, 1935; Ph. palpalis Hendel, 1936.

opmerkingen Het heeft tot 1988 geduurd voordat de voedselplant met zekerheid bekend werd (Spencer, 1976a, 1990a). Sinds datzelfde jaar is de soort in midden-Europa een aantal malen zeer schadelijk opgetreden in teelten van verschillende Allium-soorten (Seljak, 1998a); de problematiek lijkt zich westwaarts uit te breiden. Zo'n geval betrof onder meer een perceel met prei in Duitsland, vlak over de grens met Nederland (de Goffau, 2001a). De schade bestaat voor een deel in beschadiging van het blad door voedingsprikken, die toegang geven tot schimmelinfecties, maar vooral door de aanwezigheid van larven en puparia in de stengel - tot 100 in één prei (Billen, 1998a). De reden waarom deze soort zich zo plotseling to een ernstige plaag heeft ontwikkeld is niet duidelijk.

notes It has taken till 1988 before the hostplant of the species became evident (Spencer, 1976a, 1990a). Since that year the species has manifested itself as a serious pest on various Allium species (Seljak, 1998a). It looks like the problem is expanding westwards. One case concerned a leek plot in Germany, just over the Dutch border (de Goffau, 2001a). Part of the damage is connected to feeding punctures that provide entrance to fungus infections, but the main problem is the presence of numerous larvae and puparia - up to 100 in a single leek plant (Billen, 1998a). The reason why this species so suddenly has turned into a serious pest is unclear.

literatuur

references

Beuk (2002a), Billen (1998a), Černý (2011a), Černý & Merz (2007a), Černý & Vála (1999a), Civelek, Deeming & Önder (2000a), Collins & Lole (2005a), Darvas, Skuhravá & Andersen (2000a), Doorman (1962a), Gil Ortiz (2009a), de Goffau (2001a), Hering (1933c), Kahanpää (2014a), Martinez (1984a), de Meijere (1924a, 1937a, 1939a), Mesic, Dupor & Igrc Barcic (2009a), Pakalniškis (1994a), Seljak (1998a, 1999a), Spencer (1972b, 1976a, 1990a), von Tschirnhaus (1999a), Zandigiacomo & dalla Montà (2002a).

27/01/2017