Phytomyza heracleana Hering, 1937

Diptera, Agromyzidae

Heracleum sphondylium, Amstelveen, Thijssepark

8278_1

Heracleum sphondylium, Amstelveen, Thijssepark

detail, in doorzicht: perforate mijn

8278_2

detail, in transparancy: perforate mine

Heracleum sphondylium, Nieuwendam; pas als de mijn geopend wordt blijkt hoe merkwaardig weinig frass er geproduceerd is.

14184_frass

Heracleum sphondylium, Nieuwendam; only after the mine has been opened it becomes clear how surprisingly little frass has been produced

Heracleum sphondylium, Nieuwendam; de mijn doet sterk denken aan de schimmelaantasting

9512

Heracleum sphondylium, Nieuwendam; the mine has a strong resemblance to a fungus infection

mijn De mijn begint met een zeer onopvallend bovenzjidig gangetje, maar gaat spoedig over een in een uitgestrekte interparenchymale blaasmijn. De bovenste cellaag van het palissadeparenchym wordt op vele plaatsen weggevreten, waardoor de mijn in doorzicht opvallend perforaat is. De mijnen zijn aanvankelijk geelgroen, later bruin, en geven het blad een uitgesproken ziekelijk aanzien. Vraatlijnen afwezig. Frass weinig talrijk. Larven solitair. Verpopping buiten de mijn; boogsnede in de onderepidermis.

mine The mine starts with a quite inconspicuous lower-surface corridor that soon changes into an extensive interparenchymatous blotch. The upper cell layer of the palissade parenchyma is eaten away in many places, giving the mine in transparancy a perforated appearance. Fresh mines are pale green, later they turn brown; they give the leaves a striking ly diseased impression. Feeding lines absent, frass grains strikingly few. Larvae solitary. Pupation outside the mine, exit slit in lower epidermis.

waardplanten: Apiaceae, monofaag (?)

hostplants: Apiaceae, monophagous (?)

Heracleum mantegazzianum, sphondylium & subsp. sibiricum + verticillatum.

Hering (1957a) neemt heracleana ook op in de tabel van mineerders op Angelica, Caucalis, Laser, Laserpitium en Seseli. Pakalniškis (1994a) voegt Daucus carota toe, mogelijk als een exceptioneel geval. Onder meer Beiger (1960a) en Maček (1999a) noemen nog meer waardplanten. Griffiths (1973c) en Spencer (1973a) trekken echter het voorkomen op andere planten dan Heracleum sterk in twijfel. Mogelijkerwijze is verwarring ontstaan doordat jonge mijnen vana Ph. angelicae eveneens interparenchymaal zijn.

Hering (1957a) included heracleana in his keys to Angelica, Caucalis, Laser, Laserpitium and Seseli. Pakalniškis (1994a) adds Daucus carota, possibly as an exceptional case. Beiger (1960a) and Maček (1999a) mention even more hostplants. However, both Griffiths (1973c) and Spencer (1973a) are doubltful about the occurrence on other plants than Heracleum. One possible reason for the confusion may be that young mines of Ph. angelicae are interparenchymatous too.

fenologie Larven in juni-juli (Hering, 1957a).

phenology Larvae in June-July (Hering, 1957a).

BENELUX

BE niet waargenomen (Fauna Europaea, 2008).

NE waargenomen (Ellis, plaatselijk talrijk).

LUX niet waargenomen (Fauna Europaea, 2008).

BENELUX

BE not recorded (Fauna Europaea, 2008).

NE recorded (Ellis, locally abundant).

LUX not recorded (Fauna Europaea, 2008).

verspreiding binnen Europa Geheel westelijk Europe, uitgezonderd het Iberich Schiereiland; ook Bulgarijë (Fauna Europaea, 2008).

distribution within Europe Entire Western Europe, the Iberian Peninsula excluded; also Bulgaria (Fauna Europaea, 2008).

literatuur

references

Beiger (1960a, 1965a, 1979a), Buhr (1941b, 1964a), Černý (2001a), Černý & Merz (2007a), Griffiths (1973c), Hering (1957a), Huber (1969a), Maček (1999a), de Meijere (1937a), Nowakowski (1954a), Ostrauskas, Pakalniškis & Taluntyte (2003a), Pakalniškis (1994a), Robbins (1991a), Spencer (1953a, 1972a, 1976a), von Tschirnhaus (1999a).

27/01/2017