Phytomyza latifolii Groschke, 1957

Diptera, Agromyzidae

mijn Bovenzijdige gangmijn, vooral aanvankelijk sterk gekronkeld. De mijn verbreedt zich vrij sterk, vaak vertakt. Frass aanvankelijk in twee preciese rijtjes, later onregelmatiger, in grovere korrels. Verpopping buiten de mijn, boogsnede bovenzijdig.

mine Upper-surface corridor, especially in the beginning strongly contorted. The corridor widens appreciably, and often bifurcates. Frass initially in two neat rows of fine grains, later less regular, in coarser grains. Pupation outside the mine, exit slit in upper epidermis.

waardplanten: Apiaceae, monofaag

hostplants: Apiaceae, monophagous

Laserpitium latifolium.

fenologie Larven in juli-augustus (Hering, 1957a).

phenology Larvae in July - August (Hering, 1957a).

BENELUX

Niet bekend uit de Benelux-landen (Fauna Europaea, 2009).

BENELUX

Not known from the Benelux countries (Fauna Europaea, 2009).

verspreiding binnen Europa Van Duitsland en Polen tot Italië (Fauna Europaea, 2009).

distribution within Europe From Germany and Poland to Italy (Fauna Europaea, 2009).

puparium ...sterk gelijkend op dat van angelicae, 2.2 mm lang, met geprononceerde anale lobben; voorspiracula met 10 papillen; achterspiracula met 16 papillen in een brede ellips. (Griffiths, 1973c).

puparium ...very similar tot that of angelicae, 2.2 mm long, with prominent anal lobes; anterior spiracles with 10 bulbs; posterior spiracles with 16 bulbs in broad ellipse. (Griffiths, 1973c).

literatuur

references

Beiger (1960a), Černý & Merz (2007a), Griffiths (1973c), Groschke (1957a), Hering (1957a), Huber (1969a), von Tschirnhaus (1999a).

modif. 24.vi.2009