Phytomyza nepetae Hendel, 1922

Diptera, Agromyzidae

mijn De mijn begint met een fijn, epidermaal onderzijdig gangetje. Dit gaat over in een bovenzijdige of interparenchymale gang. Gewoonlijk ligt de gang, afgezien van het begin en het eind, in zulke dichte lussen dat een secundaire blaasmijn ontstaat. Frass deels in korrels, deels in parelsnoertjes. Verpopping buiten de mijn.

mine The mine begins as a fine epidermal lower-surface corridor. This changes into an upper-surface or interparenchymatous corridor. In most cases the corridor makes such closed loops that, except for its first and terminal section, it turns into a secondary blotch. Frass partly in grains, partly in pearl chains. Pupation outside the mine.

waardplanten: Lamiaceae, oligofaag

hostplants: Lamiaceae, oligophagous

Clinopodium vulgare; Dracocephalum; Nepeta cataria, melissifolia, nuda.

fenologie Larven in mei-augustus (Hering, 1957a).

phenology Larvae in May-August (Hering, 1957a).

BENELUX

Niet bekend uit de Benelux-landen (Fauna Europaea, 2008).

BENELUX

Not known from the Benelux countries (Fauna Europaea, 2008).

verspreiding binnen Europa Denemarken, Duitsland, Polen, Frankrijk (Fauna Europaea, 2008); ook Dalmatië (Hering, 1967a).

distribution within Europe Denmark, Germany, Poland, France (Fauna Europaea, 2008); also Dalmatia (Hering, 1967a)..

larve Beschreven door Nowakowski (1959a) en Hering (1967a).

larva Described by Nowakowski (1959a) and Hering (1967a).

literatuur

references

Beiger (1975a, 1979a), Buhr (1932a, 1964a), Dreger & Myssura (2005a), Hering (1957a, 1963a, 1967a), Iwasaki (1997b), Nowakowski (1959a), Skala & Zavřel (1945a), Spencer (1976a), von Tschirnhaus (1999a).

27/01/2017