Phytomyza obscura Hendel, 1920

Diptera, Agromyzidae

mijn De mijn, die onder- of bovenzijdig kan zijn, begint meestal met een dichte spiraal. De windingen ervan liggen zo dicht opeen dat het bladweefsel afsterft en rood kleurt; niettemin blijft de gang als zodanig goed herkenbaar. Naderhand wordt de gang breder en ontstaat er rondom de beginspiraal een grote secundaire blaasmijn. Frass aanvankelijk korrelig, in twee rijen, later in parelsnoertjes. Vraatlijnen zeer duidelijk. Verpopping soms in, soms buiten de mijn.

mine The mine, that may be upper- or lower-surface, generally starts with a tight spiral. Its loops are so tight that the leaf tissue dies off and turns red; nevertheless the corridor remains well visible. Later the corridor widens and finally a large secondary blotch develops around to the inital spiral. Frass at first in two rows of grains, later in pearl chains. Feeding lines very clear. Pupation now within, then outside the mine.

waardplanten: Lamiaceae, monofaag

hostplants: Lamiaceae, monophagous

Clinopodium nepeta subsp. glandulosum, vulgare.

In de literatuur wordt een groot aantal andere waardplanten gemeld: Galeopsis pubescens, speciosa, tetrahit; Mentha; Nepeta; Origanum; Lycopus europaeus, en zelfs Symphytum (Boraginaceae). Volgens de studie van Nowakowski (1959a) zijn die geen van alle geloofwaardige waardplanten.

In the literature a number of other plants are mentioned: Galeopsis pubescens, speciosa, tetrahit; Mentha; Nepeta; Origanum; Lycopus europaeus, and even Symphytum (Boraginaceae). According to the study by Nowakowski (1959a) none of these are plausible as hostplants.

fenologie Larven tussen mei en augustus (Hering, 1957a).

phenology Larvae between May and August (Hering, 1957a).

BENELUX

Niet bekend uit de Benelux-landen (Fauna Europaea, 2008).

BENELUX

Not known from the Benelux countries (Fauna Europaea, 2008).

verspreiding binnen Europa Van Engeland tot Italië en Bulgarijë, en van Litouwen tot het Iberisch Schiereiland (Fauna Europaea, 2008).

distribution within Europe From the UK to Italy and Bulgaria, and from Lithuania to the Iberian Peninsula (Fauna Europaea, 2008).

larve Beschreven door de Meijere (1926a); achterspiraculum met ca. 13-15 papillen in een driekwart cirkel.

larva Described by de Meijere (1926a); rear spiraculum with about 13-15 papillae in three quarters of a circle.

puparium Het puparium, dat vaak aan de bladonderzijde blijft kleven, is glanzend donkerbruin (Hering, 1924a).

puparium Shining dark brown (Hering, 1924a); it often sticks to the leaf underside.

synoniemen Phytomyza hedickei Hering, 1927.

synonyms Phytomyza hedickei Hering, 1927.

literatuur

references

Beiger (1955a, 1960a, 1965a, 1970a, 1975a, 1979a), Buhr (1932a, 1941b), Černý (2011a), Černý & Merz (2006a), Černý & Vála (1999a), Drăghia (1968a), Dreger & Myssura (2005a), Hering (1921b, 1924a,b, 1927b, 1931a, 1936b, 1957a, 1967a), Huber (1969a), Kvičala (1938a), Maček (1999a), Manning (1956a), de Meijere (1926a), Michna (1975a), Nowakowski (1959a), Pakalniškis (2000a), Robbins (1991a), Skala (1951a), Skala & Zavřel (1945a), Sønderup (1949a), Spencer (1965a, 1972a), Starý (1930a), Stolnicu (2007a), Zoerner (1969a).

20/10/2014