Phytomyza pieninica Nowakowski, 1963

Diptera, Agromyzidae

mijn Bovenzijdige gangmijn; het eerste deel is tamelijk recht, en volgt vaak de bladrand; het tweede deel is sterk darmachrig gewonden en vormt een secundaire blaas. Frass in grove, onregelmatig verspreide en ver uiteenliggende korrrels. Verpopping in de mijn, in een onderzijdige poppenwieg; de voorspiracula van het puparium doorboren de onderepidermis.

mine Upper surface corridor; the first part is rather straigt, and often follows the leaf margin. The second part is strongly wound, intestine-like, and froms a secondary blotch. Frass in coarse, irregularly dispersed, widely separated grains. Pupation in the mine, in a lower-surface pupal chamber; the front spiracula of the pupaprium penetrate the lower epidermis.

waardplanten: Asteraceae, nauw monofaag

hostplants: Asteraceae, narrowly monophagous

Aster alpinus.

fenologie Bezette mijnen werden gevonden in de nazomer.

phenology Occupied mines were found in late summer.

verspreiding binnen Europa Polen (Fauna Europaea, 2009); Pieniny Gebergte.

distribution within Europe Poland, (Fauna Europaea, 2009); Pieniny Mountains.

larve Mandibels twee-tandig, alternerend. Geen frontaal aanhangsel. Voorspiraculum knopvormig, met 9 papillen; achterspiraculum met ca 15 papillen in een ellips.

larva Mandibles two-teethed, alternating. No frontal appendage. Front spiraculum bud-shaped, with 9 papillae; rear spiraclum with c. 15 papillae in an ellipse.

puoparium Lichtbruin, glad en glanzend, c 2.3 mm lang.

puparium Light brown, smooth and shining, c. 2.3 mm long.

literatuur

references

Griffiths (1976c), Nowakowski (1963a), Michalska, Myssura & Walczak (2010a).

23/01/2013