Phytomyza seseleos Hering, 1957

Diptera, Agromyzidae

mijn Opvallend ondiepe, daardoor groenige, gangmijn. Frass in het begin van de mijn in parelsnoertjes, verderop in grove korrels. De larve verlaat voor de verpopping de mijn via een onderzijdige boogsnede in de epidermis.

mine Quite shallow, therefore greenish, corridor mine. Frass initially in pearl chains, later in coarse grains. Pupation outside the mine; exit slit in lower epidermis.

waardplanten: Apiaceae, monofaag

hostplants: Apiaceae, monophagous

Seseli libanotis.

fenologie Larven in juli-augustus (Hering, 1957a).

phenology Larvae in July-August (Hering, 1957a).

BENELUX

Niet bekend uit de Benelux-landen (Fauna Europaea, 2008).

BENELUX

Not known from the Benelux countries (Fauna Europaea, 2008).

verspreiding binnen Europa Duitsland (Fauna Europaea, 2008).

distribution within Europe Germany (Fauna Europaea, 2008).

larve De larve heeft een frontaal aanhangsel; het voorspiraculum heeft 9-11, het achterspiraculum 14-15 papillen. De mandibel heeft slechts één tand. (De twee mandibels zijn niet even groot, waardoor de tand van de een voor de tand van de ander komt te liggen, wat in zijaanzicht de schijn kan wekken van een tweetandige mandibel).

larva Frontal appendage present. Front spiraculum with 9-11, rear spiraculum with 14-15 papillae. Mandibles with only one tooth. (The mandibles differ in size, causing one tooth to be slightly shifted with respect to the other; seen from the side this may give the appearance of two teeth!)

literatuur

references

Hering (1957), von Tschirnhaus (1999a).

modif. 17.x.2008