Phytomyza zarzyckii Nowakowski, 1975

Diptera, Agromyzidae

mijn Kort, bovenzijdig, kronkelend gangetje, meestal bij de bladrand, dat zich snel verbreedt tot een kleine blaas, ingeklemd tussen twee zijnerven. Vaak wordt het eerste gangdeel door de latere blaas overlopen. Larven solitair, tenzij wanneer twee mijnen samenvloeien. Meeste frass in parelsnoertjes. Verpopping buiten de mijn, boogsnede in de bovenepidermis.

mine Short, upper-surface, tortuous corridor, usually near the leaf margin, quickly widening into a small blotch between to side veins. Often tfe first corridor is overrun by the later blotch. Larvae solitary, unless after two mines have fused. Most frass in pearl chains. Pupation outside the mine, exit slit in upper epidermis.

waardplanten: Apiaceae, monofaag

hostplants: Apiaceae, monophagous

Laserpitium latifolium.

fenologie Larven van juni tot october, de meeste van juli tot september; waarschijnlijk zijn er twee generaties. Overwintering als puparium.

phenology Larvae from June till October, most between July and September; probably there are two generations. Hibernation as puparium.

BENELUX

Niet bekend van de Benelux-landen (Fauna Europaea, 2009).

BENELUX

Not known from the Benelux countries (Fauna Europaea, 2009).

verspreiding binnen Europa Polen.

distribution within Europe Poland.

larve Mandibels met 2 tanden, alternerend; de voorste tand is groter dan de basale. Voorspiraculum vuistvormig met 7-9 papillen, achterspiraculum met 12-15 papillen in een open ellips.

larva Mandible with 2 teeth, alternating; the anterior tooth larger than the basal one. Front spiraculum fist-shaped with 7-9 papillae, rear spiraculum with 12-15 papillae in an open ellipse.

puparium 1.7-2 mm lang, licht- tot donkerbruin, glad en glanzend, met zeer ondiepe segmentgrenzen.

puparium 1.7-2 mm lomg, light ot dark brown, smooth and shining, with very shallow segment limits.

literatuur

references

Nowakowski (975a), Michalska, Myssura & Walczak (2010a).

23/01/2013